De Raadsheer.

 

Geschiedenis.

 

De raadsheer behoort tot de alleroudste en meest bekende tamme rassen ter wereld.  Het heeft zijn weg overal gevonden en wordt eeuwenlang en doelbewust gefokt.

 

De geschiedenis is terug te halen tot 1550 uit uitvoerige beschrijvingen en zij vertelt ons voldoende over de ontwikkeling en verspreiding van het ras.  Iedereen die ook maar iets van duiven afweet kent de raadsheer en wij durven rustig te beweren dat het ras het zuiverste is dat in de structuurduiven bestaat.

 

Als fokproduct kent de raadsheer zijn gelijke niet en we moeten er dan ook rekening mee houden dat  kruising met andere vogels om het ras te verbeteren absoluut onmogelijk is.

 

Geen enkel bestaand ras zou door kruising iets kunnen verbeteren.  Integendeel het werk van zoveel jaren zou in één keer teniet gaan en het dwingt onze bewondering af dat het huidige peil alleen door selectie bereikt is.

 

Al beweert men nu nog zo hard dat de ontwikkeling de laatste 100 jaar niet zo groot is geweest, de oude afbeeldingen en tekeningen vertellen ons wel wat anders.  We mogen rustig aannemen dat onze voorvaderen in hun lyrische uitdrukkingen erg sterk waren en dat alles wat boven het normale patroon van een duif uitstak, tot dat grote wonderen toerekenden en dat het tot in de hoogste toonaarden werd bezongen.

 

Geholpen door de kennis van de erfelijkheidsleer en de voedingsleer is er in de laatste eeuw een enorme vooruitgang geboekt.

 

Hoe prachtig die beschrijvingen van vroeger ook zijn bezongen, voor ons staat vast dat de topkwaliteit nog nooit zo hoog is geweest, als onze tegenwoordige toppers laten zien.

 

Opschoon wij aannemen dat de raadsheer uit India komt, is dat nooit bewezen.  Het eerst zijn ze bekend geweest in de Nederlanden,  maar de Engelsen beweren dat zij het recht van spreken hebben, terwijl duidelijk uit de boeken blijkt dat ze hun eerste vogels importeerden uit Duitsland.  Wij zijn geneigd de eer van afkomst maar te laten aan Azië en het  zullen onze oude zeelieden wel geweest zijn die langs de waterweg hun handel sleten ofschoon we ook de mogelijkheid moeten laten aan de handel met de Russische wegen.

 

Voor ons is belangrijk dat rond 1550 inlichtingen gegeven werden door Conrad Gesner die de Syrische duiven op een dusdanige manier beschreef dat hier alleen de raadsheer mee bedoeld kan zijn.  Doch al voor die tijd zouden onze zeelieden ze vanuit Indië naar Nederland en België hebben overgebracht.  Rond 1600 geeft Aldrovandi ons afbeeldingen van een eenkleurige “kapper” met een kraag en hoed waar we moeilijk iets anders dan een raadsheer in kunnen zien.  De eerste bekende Engelse fokkers gaven er de naam aan van “Jakobijn” en “kapucijn”.  Beide namen vinden we tot op heden nog steeds terug in Engeland en Frankrijk.

 

In 1678 geeft Willunghby ons een goede beschrijving en een typische afbeelding van een rood gemonnikte vogel met witte ogen en bestoppelde benen die toen een kenmerk waren voor de Jakobijn hetgeen in 1735 nog eens sterk werd benadrukt door Moore.  In die tijd werd de raadsheer nog steeds beschouwd als een van de kleinste duivenrassen.  Toen reeds waren de gemonnikten in rood, zwart, geel, blauw en getijgerd bekend. In 1743 beschrijft de Duitser Frisch de raadsheer en hij gebruikte toen de naam Peruckentaube, waar we duidelijk de moderne vertaling ook voor gebruiken.   Rond 1880 ging men bewuster te werk en werd door de fokkers strenger geselecteerd op veerlengte.  De genetica bracht toen mee dat de duiven langer werden, hetgeen uiteindelijk iets uit de hand liep.  In de latere werken vooral van de bekende schilders, zien we de gestadige vooruitgang en veredeling van dit fraaie ras dat tot kort voor de eerste oorlog in Duitsland ook als volledig roek werk gefokt. Het enige wat van de roeken is overgebleven, is de witroek.  In de oorlogsperiode verloor Duitsland het terrein van de raadsherenfok en waren ze daar praktisch verdwenen,  waardoor wat later de Engelse en Amerikaanse dieren werden geïmporteerd die inmiddels een standaard hadden gekregen en op die moment gebruiken we nog steeds die standaard, zij het aangepast en gemoderniseerd.

 

RASBESCHRIJVING.

 

Voor alles is de raadsheer een TYPEDIER.

 

Zo  belangrijk zijn deze onderdelen dat daar in feite de duif mee staat of valt.  In alle andere dingen mag er nog zoveel mankeren, het kan niet opwegen tegen deze specifieke raseigenschappen.  Hier heeft de fokker op zoveel dingen te letten dat de kleur en de tekening op de laatste plaats komen.  Natuurlijk kan ook in de kleur en  tekening een uitsluitingsfout zitten, maar de specifieke raskenmerken van structuur zijn de absolute hoofdonderdelen waar men zich op moet concentreren.

 

Zonder de juiste stelling of met onvoldoende structuur kan de mooist gekleurde raadsheer ons niet bekoren.   Het is een vogel die tot in de perfectie is doorgefokt en mede daardoor zal de vogel ons een pak veren laten zien die zijn superioriteit uitstraalt ten opzichte van andere rassen.  Een goede raadsheer toont dadelijk zijn adellijke kwaliteiten en er mag geen twijfel bestaan of de structuur rijker zou kunnen, of dat de vogel te lang of te breed is.  Zien we dat niet direct, dan hebben we niet met een goede raadsheer te doen, maar met een vogel die opvalt door zijn vele veren. Het is zelfs zo dat men zich steeds afvragen moet :  Waar is het  einde van de fokkerskunst?  Velen menen dat dit al lang bereikt is en dat iedere stap die wij verder gaan in het nog hoger opvoeren van type, halslengte en verenpak onherroepelijk zijn tot zal eisen.  Anderen weer zeggen dat de structuur zijn maximum heeft bereikt maar het type nog wel kan.  Wij weten het niet, doch het streven blijft gericht op een slanke vogel met zoveel mogelijk structuur en een lange hals en die zijn schoonheid toont door een uitgebalanceerde stand.  Alles aan de vogel dient harmonie uit te stralen zodat niemand kan twijfelen aan de buitengewone hoge rasadel die dit ras bezit.

 

Om deze adel te laten zien dient de vogel zich thuis te voelen in de tentoonstellingskooi hetgeen erop wijst dat er training noodzakelijk is.  Een schuwe vogel kan zich nooit geven omdat hij in elkaar drukt of door de kooi fladdert en vaak ook achterover gaat hangen waardoor hij struikelt over staart of vleugelpennen.  Zo kan geen enkele keurmeester een dier op de juiste waarde beoordelen en hij zal het dan ook vlug bekeken hebben omdat het ook een tijdverspilling is.  Een goed getrainde vogel presenteert zichzelf.  Zodra hij in de loopkooi wordt gezet en trekt de bevedering over het lichaam strak en de lange hals wordt gestrekt.  Alle structuur wordt samengetrokken en dit "stellen" geeft de ideale lijnen van structuur en type te zien.  Wel dienen we op te letten dat we de vogel niet gaan overtrainen want dan gooit hij de nek achterover waardoor het lichaam gaat hellen en dan is struikelen niet te voorkomen.

 

TYPE EN STAND.

 

Het type omschrijven van een raadsheer is geen eenvoudige opgave.  We hebben te maken met een vogel die middelgroot moet zijn, maar dat is zo rekbaar als met maar bedenken kan.  Wat we er wel uit concluderen is dat we nooit met een grove vogel of met een klein slap vogeltje kunnen aankomen, maar met een niet te grote en toch stevige vogel.  Waar we naar moeten streven is een slank uitziende vogel terwijl je toch voelt dat je meer in je handen hebt dan veren.  De grootste breedte vind je bij de schouders en zal geleidelijk smaller verlopen naar achteren. Ondanks de lange halslengte moet de vogel toch de indruk geven dat hij slank is.  De voorpartij wordt opgeheven gedragen; zodanig dat er sprake is van een diagonale stand met een verticale gedragen halspartij.  We zijn er mee tevreden dat de denkbeeldige loodlijn vanuit de rozet voor op de tenen valt, waardoor we een goed uitgebalanceerde stand krijgen.

 

De meest voorkomende fout is : de neiging om de schouderpartij naar voren te drukken waardoor de fiere houding verloren gaat.  Gelijktijdig wordt dan ook de hals ingetrokken waardoor dan wel een enorm dik verenpakket te zien is, maar wat tevens inhoudt, dat de halslengte verdwenen is.

 

Een ander veel voorkomende fout is dat vooral bij de oudere vogels de schouders erg breed zijn waardoor de elegantie zich bijna omzet in plomp.

 

Dan nog een grote fout en dat is de kruiphouding waarbij we een volkomen horizontale stand krijgen en de kop vooruit wordt gestoken.  Deze vernoemde fouten zullen dan ook alle met een uitsluiting gehonoreerd worden.  Omdat de borst hoog gedragen wordt; en daarom de schouders automatisch mee moeten; is het logisch dat de rug vrij sterk afhelt zodat ter hoogte van de stuit een lichte holling ontstaat om de staart de juiste dracht te kunnen laten aannemen.

 

 

 

 

 

HALS EN STRUCTUUR.

 

Op het middelgrote lichaam verlangen we naar verhouding een extreem lange hals, hoe langer hoe beter, want daardoor krijgen we de ruimte het volle pak structuur de gelegenheid te bieden om tot volle ontwikkeling te komen.

 

Er zijn al vele theorieën geweest over die halslengte en dat is ook wel begrijpelijk. Genetisch gezien gaat zo'n lange hals immers gepaard met een lang lichaam en dat is nu juist wat niet gewenst is.  In de ogen van vele fokkers is het einddoel hier mee bereikt, omdat nog langer alleen maar nadelig zou werken op de kwaliteit van de structuur.  Daarbij wil men het lichaam zo kort en elegant mogelijk houden en een  nog langere hals zou zonder meer het type grover worden.

 

Wij bepalen ons tot het standpunt, mede gezien er reeds bereikt is, dat moeilijkheden er zijn om opgelost te worden, maar ook dat onmogelijkheden alleen iets langer duren.

 

Aan beide zijden van de hals bevindt zich een rozet die mooi rond dient te zijn, doch vaak wat ovale vorm heeft.  Dit is niet zo erg, maar het mag niet zover gaan dat de rozet langwerpig wordt.  Deze rozet is net een draaikolk die moet zorgen voor de proportie in de structuur.  Zouden we de structuur vanuit dit punt snel kunnen laten draaien, dan zouden door middelpuntvliedende kracht de rondingen van de structuur prachtig uitkomen.  Het is het punt wat verantwoordelijk is voor het uitstralen der verenrijkdom.

 

Vanuit de rozet groeien er veren naar alle kanten in een harmonische volgorde en dat is dan ook de bedoeling.  Dit totale verenpakket dat we de structuur noemen is verdeeld in drie delen, nl. de manen, de hoed en de ketting.  Nu is niet precies aan te geven waar het ene begint en het andere ophoudt,  omdat deze veerpartijen door de ronde vorm in elkaar overlopen zonder enige onderbreking. Van  terzijde gezien heeft dit geheel een sinaasappelvorm wat wil zeggen dat de totale structuur niet precies rond is, maar toch zeer dicht benadert.  Er kunnen niet vlug te veel veren in de structuur zitten, maar het moet wel zo zijn dat het echte veren zijn die vol en breed zijn met een goed gesloten vaan.  Het is natuurlijk begrijpelijk dat bij zulk uitzonderlijk lange veren het topeinde van de veren niet precies gesloten kan zijn.  De baardhaakjes zijn dan net iets te kort om het geheel te kunnen vasthouden, maar het mag nooit ontaarden in een losse vaan waardoor we de gehate harige structuur krijgen.

 

Het gedeelte dat vanuit de rozet naar achteren groeit en gedeeltelijk schuin naar boven en naar beneden noemen we de manen.  Dit gedeelte zal in de praktijk altijd de meeste veren vertonen, vooral het gedeelte dat schuin naar boven groeit.  Bij een dunne  manenpartij ontstaat direct het euvel van de kruisende manen.

 

Het tweede euvel is dat wanneer er niet genoeg veren zitten; of de veren niet stevig genoeg zijn, de losse structuur ontstaat; er komen dan gapingen zichtbaar en die verstoren de gesloten ronding.

 

De veerpartij die van uit de rozet naar boven groeit, noemen we de hoed.  Dit is de meest volle en complete kap die we kennen in de duivenwereld deze hoed dient eveneens zeer lang, breed en dicht bevederd te zijn.  Zo lang zij de veren dat ze ruim over de kop heen groeien zonder deze te raken en die zich prachtig sluit met de veerpartij van de andere kant.  In stelling mag er praktisch van de kop niets te zien zijn.  In feite zijn alle veren aan de achterzijde van de hoed voor zover ze naar boven groeien topveren en steunveren.

 

Het ligt voor de hand dat de meest voorkomende fout voorkomt in de top van de hoed.

 

Het gedeelte dat vanuit de rozet naar voren groeit heet de ketting.  Deze structuur dient net zo lang en dicht bevederd te zijn als de manen en ook zover mogelijk door te lopen, maar dan naar voren en naar de borst.  Weer van terzijde gezien is dit gedeelte vlak aanliggend tegen de wangen en bedekt de ogen en de snavel.  Aan de voorkant gezien hebben we niet zo'n goede sluiting als bij de manen, maar daar zijn we toch niet zo ver af  Als de ketting werkelijk goed vol is en goed sluit, is de keel helemaal ingepakt in de veren.  Daar dit lang niet altijd het geval is, zal duidelijk zijn en juist vooraan gezien, zien we de meeste fouten.  Op de eerste plaats de open ketting, dit wil zeggen dat de veren die aan weerszijde voor aan de keel zitten, niet voldoende naar elkaar toe groeien.  Is de eigenschap van deze dunne structuur eenmaal aanwezig dan is het lang niet denkbeeldig dat zich dat voortzet in de hoed wat dan weer een puntige hoek kan veroorzaken. Ook de ongelijkmatige ketting is een fout, d.w.z. dat de ene kant verder naar beneden toegroeit dan de andere kant.

 

Als laatste punt dan, de vlakke ketting die alleen van opzij zichtbaar is en die ontstaat omdat de middelste veren niet ver genoeg naar voren groeien, waardoor de gewenste sinaasappelvorm een vlakke zijde krijgt.

 

Door het verlangen om zoveel en zo lang mogelijk veren te krijgen, openbaart zich dat natuurlijk ook op de rest van het lichaam.  Zolang dit maar beperkt blijft tot de buikpartij, zal de keurmeester daar weinig aanmerking op maken, maar helaas gaat het ook verder en vooral de slagpennen willen dan nog wel eens een lengte nemen die net iets te veel van het goede te zien geven.  Een van de grote euvelen die dan het gevolg kunnen zijn, zijn de sleeppennen.  Door de lengte en min of meer door de zwaarte (regen en badwater) blijven de pennen niet op de rug liggen en gaan aan beide zijden afhangen, zodat ze vaak  de grond raken.  Als ze dit gemak gewoon geraken blijven ze dit gemakkelijk doen en wordt dit een misgewoonte. Na verloop van tijd is het zelfs mogelijk dat de slagpennen krom worden en dat noemen we sabelpennen.  Hier hebben we geen enkel pardon mee en wordt de vogel tentoonstellingsongeschikt!

 

Nu zal men in een ras altijd proberen om de hoofdeigenschappen, dus in dit geval de structuur, steeds hoger op te voeren.  In Amerika was men Europa nogal wat voor waar het de lengte van de structuur betreft en daarom werd er in de jaren zestig nogal wat geïmporteerd.  Er werd toen veel gewonnen in veer- en halslengte; maar gelijktijdig werd er ook de harigheid ingebracht.  Door deze vogels met die van Europa te kruisen, zijn wij er aardig in geslaagd een brede basis van prima dieren te fokken.

 

 

 

KLEURSLAGEN

 

De enige roekkleur die nog erkend is, is wit.

 

In deze kleurslag zal de niet specialist vaak bedrogen uitkomen omdat hij visueel gegrepen wordt.  Bekijken we het met kennersogen dan zien we dat de vorm en de structuur weliswaar volmaakt is, maar dat er aan de volheid en de dikte der structuur nog wel wat te verbeteren valt.  De wittenfokkers weten dat en we zullen in hun hokken dan ook altijd een paar gemonnikten en getijgerden zien, die gebruikt worden om hun adel over te dragen aan hun stamgenoten. Zouden we deze kleuren -kruisigen niet doen, dan treedt er nog een gevaar op, namelijk dat van de balkogen en de donkere ogen.  Alle raadsheren moeten een pareloog hebben en een oogafwijking is een uitsluitingsfout.

 

Gemonnikt :

 

Als we ons een geheel gekleurde vogel voorstellen dan hoeven we alleen nog maar de staart, de slagpennen en de kopplaat wit te maken en dan  hebben we de gemonnikte tekening.

 

Ook al is de raadsheer een structuurduif en geen kleurduif, neemt het niet weg dat we voldoende aandacht besteden aan de kleur en de tekening.  De kopkleur loopt vanuit de snavelhoek door het oog naar de achterkop.  Het bovenste gedeelte is wit. 

 

De keurmeester heeft  het volste recht om een vogel te passeren die een gekleurde of een bonte schedel heeft.  Vooral bij de zwarten geeft deze tekening het probleem dat de snavel, die altijd blank behoort te zijn, donker aanslaat aan de ondersnavel.  Als het zich beperkt tot een vlekje in de mondhoeken, dan wordt het nog wel eens door de vingers gezien,  maar het mag zeker niet tot een  halfgekleurde snavel ontaarden.  Het wittepennenaantal wordt aangegeven om een zo egaal mogelijk gekleurd schild te verkrijgen.  Het staat echt lelijk als er te weinig witte slagpennen zijn, omdat dan de ronding sterk verstoord wordt.  De witte staart is ter hoogte van de stuit scherp begrensd.

 

Zwartgemonnikt :

 

Enkele tientallen jaren geleden wat dit de kleurslag die enorme goede vogels liet zien.  Ze hadden een zeer zwaar pakket veren en een prachtige glans.  Toch liepen de gemonnikten in ons land terug naar een peil dat ons het huilen nader stond dan het lachten.  De verklaring zou te zoeken zijn in het feit dat de witte kleurslag zo'n opgang maakte dat de andere kleurslagen er zo maar bijgenomen werden om de shows wat te verkleuren.  Dit totdat enkele jaren geleden de ogen open gingen en men eigenlijk schrok van de achterstand.  Er waren nog zwarten met zwarte structuren maar veel te kort in de hals en een kleur om op te schieten.

 

 Ook in Duitsland had men het gevaar gezien en zij waren reeds zover dat er mooie type dieren waren met een prachtige kleur en groene glans;  maar minder goede structuur.  Door uitwisseling en kruising van deze dieren zijn we nu weer zover dat  we weer mee kunnen doen, al is de achterstand nog niet helemaal weggewerkt.

 

Roodgemonnikt :

 

Dankzij de vasthoudendheid van enkele fokkers mogen we nu spreken van een zeer goed bestand in deze kleurslag.  Immers de roden ondergingen hetzelfde lot als de zwarten, zij het dat hier het venijn meer zat in het kleurverlies.  Vooral de buikpartij was niet rood meer maar soms volkomen blauw en dat gebrek is keurig opgeruimd.  In deze kleurslag kunnen we weer hoge eisen stellen.

 

Geelgemonnikt :

 

Hier was de schade niet zo groot als bij de andere kleurslagen, maar de achterstand ten opzichte van onze Oosterburen was toch opmerkelijk.  Door import uit Engeland en Duitsland werd het peil weer herstelt.

 

Blauwgemonnikt :

 

Deze kleurslag is in ons land nooit erg populair geweest, wat toch vreemd te noemen valt.  Blauw is immers de oerkleur van de duif; maar ik neem aan dat de fokkers vinden dat dit jasje niet bij de raadsheer past.  De enkele vogel die nu nog in ons land leeft zal beslist geen potten breken en wordt in de beoordeling met de mantel der liefde gedekt, om aldus te trachten deze kleurslag te behouden.  Opvallend is echter dat vooral in Duitsland wel enkele specialisten zijn die zeer mooie dieren bezitten en ook exposeren.  Opgemerkt zij nog dat ook de blauwen zonder banden toegestaan zijn (helblauw).

 

Zilvers :

 

In vrijwel al de duiven rassen waar zilvers in erkend zijn; zal men enkele fokkers vinden die zich op deze tere kleuren toeleggen.  Bij de raadsheren is dat niet het geval en in ons land zien we dan ook alleen maar toevalsproducten die dan meestal niet eens te toon gesteld worden.

 

Getijgerden :

 

Een goed getijgerde kleur is een lust voor het oog.  De ideale tekening zou zijn als we een 50% witte vogel hebben.  Zo streng worden de eisen niet gesteld en wordt er tevreden gesteld met een gelijkmatige tekening op een witte ondergrond.  Let wel ! dat een getijgerde een tekening moet laten zien waar gemonnikten gekleurd zijn !  Hier zit bij de getijgerden het zwakke punt,  want maar al te vaak is de tijgertekening op de borst erg matig of soms helemaal afwezig en dat mag natuurlijk niet.  Overigens stellen we aan deze tekening in de kleurslagen zwart, rood en geel de allerhoogste eisen. (type, structuur en veerkwaliteit)

 

Bij de driekleur is de grondkleur niet gebonden, doch wordt een gelijkmatige verdeling verlangd van drie kleuren die duidelijk moeten spreken en waar per veer niet meer dan één kleur inzit, terwijl die gekleurde veer geen verwaterde tekening te zien mag geven.