Bronsvleugeld

Wet : Phaps chalcoptera

  1. : Bronze-winged Pigeon
  2. : Colombe lumachelle
  3. : Bronzeflügeltaube

Systematiek en verspreidingsgebied:

De bronsvleugelduif behoort tot het genus Phaps, ,samen met de sierlijke bronsvleugelduif (Phaps elegans) en de harlekijnduif (Phaps histrionica).

Deze duiven vertonen een bruine grondkleur met mooie glansvlekken op de vleugels en door afwisselende bleke en donkere strepen op de kop.

De bronsvleugelduif is de meest verspreide duif op Australië.

H.J.Frith vermeldt in zijn boek ‘Pigeons and doves of Australia’ naast de nominaatvorm nog twee ondersoorten:

- P.c.chalcoptera (Latham 1790) : Zuid-Queensland, Nieuw Zuid-Wales, Victoria, het eiland Tasmania en Zuid-Australië.

- P.c.murchisoni (Mathews 1912): Zuidwest-en Middenwest-Australië.

- P.c.consobrina (Mathews 1912): Noord-Australië

P.c. murchisoni zou wat roder van kleur zijn en P.c.consobrina is wat kleiner en ook wat lichter van kleur dan de nominaatvorm.

De bronsvleugelduif treft men vooral aan in de wouden met uitzondering van de drassige vochtige gedeelten. Verder vindt men ze ook nog terug in streken met veel struikgewas en zelfs op gecultiveerde gronden. Ze durven zich ook vertonen in de door de mens aangelegde parken en zelfs in de straten van sommige kleine steden.

De bronsvleugelduif zoekt haar voedsel steeds paarsgewijs op de grond en houdt zeer veel van meelhoudende zaden met een voorkeur voor de zaden van de acaciaboom.

Volgens J.Nicolai pikken ze graag de giftige zaden op van de boom Gastrolobium bilobum.

De botten en de ingewanden van de duif zouden volledig doordrenkt zijn met dit vergif.

Dit zou natuurlijk een voordeel zijn voor deze duiven daar hun vlees dan zeer onsmakelijk zou zijn.

Ze komen na de inval van de schemering en voor de dag aanbreekt naar de drinkplaatsen. De duiven zijn dan ook gedurende deze periodes van de dag het meest actief.

Ze naderen de drinkplaatsen op een heel speciale manier: ze strijken neer op een paar tiental meter van de drinkplaats, daar wachten ze even en overschouwen zeer rustig het hele gebied om daarna kalm verder te wandelen tot aan de waterkant.

Tijdens de warmste periode van de dag vertoeven ze op de grond in de schaduw van een boom of op een lage tak van een struik.

Bij gevaar vliegen ze heel snel met luid klappende vleugels op en laten zich na een korte maar snelle vlucht op een tak neer.

Beschrijving:

Ongeveer de grootte van een stadsduif: tussen 28 en 36 cm. Het gewicht van de doffer varieert tussen 331 en 356 g en de duivin tussen 310 en 333 g.

Er is heel duidelijk verschil tussen doffer en duivin.

Doffer:

De doffer heeft een goudgeel voorhoofd, een bruine schedel en achterhoofd met een purperglanzende kroon op de achterzijde van de kop. Hij bezit een kleine zwarte teugelstreep van de snavel tot het oog. Onder de ogen is er een brede witte band die tot voorbij de oren reikt. De wangen zijn grauwbruin, de halszijde is mooi grauwblauw. De keel is wit. De volledige bovenzijde van de duif is bruingrauw. Elk veertje is bleker afgezoomd. De borst is wijnrood, overgaand in grauw naar de buikzijde toe. De vleugeldekken vertonen bronsgroene vlekken op de buitenvanen van de veren en koperkleurige vlekken op de binnenste vleugelpennen. Deze vlekken zijn fel glanzend en schitteren hevig in de zon. De buitenste slagpennen zijn zwart met een smalle bleke afzoming. De middelste staartpennen zijn bruin, de overige donkergrauw. De staart heeft op het einde een donkere, bruine dwarsband.

De snavel is zwart, de oogiris is donkerbruin en de poten zijn rozig.

Duivin:

De duivin bezit een grijsachtig voorhoofd, dus zeker geen goudbruin zoals bij de doffer. De purpergloed op de kop ontbreekt. Op de vleugels heeft ze kleinere groene vlekken. Deze vlekken kunnen soms naar gelang de lichtinval wat koperkleurig lijken, doch nooit bronskleurig zoals bij de doffer. De borstzijde is grauwer en doffer van kleur dan bij die van de doffer.

In vele boeken wordt vaak geschreven dat de jonge vogels geen onderscheid laten zien tussen doffer en duivin. Toch moet ik zeggen dat wanneer er twee jongen in het nest liggen, het onderscheid toch duidelijk waarneembaar is. Later verdwijnt dit onderscheid terug en is het moeilijker om doffer van duivin te onderscheiden en moet men toch wachten tot na de eerste rui.

Balts:

De doffer laat een zacht melancholisch ‘oom-oom’-geluid horen. Hij staat hierbij bijna helemaal horizontaal en laat het geluid diep uit de borst komen.

Ditzelfde geluid laat hij ook horen wanneer hij op het nest zit en zijn duivin tracht te lokken. Hierbij zal hij dan ook licht met de vleugels trillen zoals ook een bedelend jong naar voedsel dit doet.

Het paren geschiedt steeds op de grond. De doffer achtervolgt de duivin al lopend over de bodem van de volière. Plots knikt de doffer dan vooruit en buigt de snavel en de kop naar de grond toe. Op hetzelfde moment spreidt hij de staart een beetje, maar spreidt vooral de vleugels naar voren toe en toont heel duidelijk zijn mooie glansvlekken aan de duivin. Hij toont zich als het ware op zijn mooist.

Daarna zal hij met wat opengesperde bek rond de duivin wandelen en maakt vervolgens knikkende bewegingen. Hij toont zich echt nederig tegenover haar.

De duivin zal op de hofmakerij ingaan en ze zal haar snavel in die van de doffer steken.

De doffer zal dan met de kop en nek wat slingerbewegingen maken over de hals van de duivin.

Ze zal dan wat doorbuigen en de doffer zal haar bespringen en tot de paring overgaan. Hij maakt hierbij vreemde ‘kuu-kuu-kuu’-geluiden. Hij slaat dan plots luidklaps met de vleugels in de hoogte en springt van de duivin af. Hierbij richt hij zich verticaal op en met wijd opengesperde bek draait hij nog even rond de duivin.

Hij zal dan een tweede maal de duivin bespringen en een nieuwe paring zal plaatsvinden. Het is net of de eerste paring maar voor de schijn was.

Bij zeer driftige duivinnen komt het ook wel eens voor dat de duivin daarna de doffer bespringt, doch van een echte paring is er dan geen sprake.

Deze handelswijze kan zich soms wel enkele malen na mekaar herhalen.

Kweek in beschermd milieu:

De bronsvleugelduif werd voor het eerst ingevoerd in 1844 in de Amsterdamse zoo. De eerste kweekresultaten werden behaald in de ‘Jardin d’acclimation’ van Parijs in 1863.

Het legsel bestaat uit twee tamelijk ronde eitjes. Deze worden ongeveer 14 dagen bebroed.

Het is een duif die heel rustig is in de omgang en niet agressief tegenover andere duivensoorten. Het is een heel geschikte duif voor een gemeenschappelijke volière.

Als nestgelegenheid hangt men op verschillende plaatsen korfjes of kistjes op.

Ze gaan vlug tot broeden over en zullen ook goed de jongen opkweken.

Bij pas uitgevlogen jongen moet men wel opletten dat ze niet teveel op een vochtige bodem rondlopen. Deze duifjes zijn zeer vochtgevoelig en krijgen dan ook vlug af te rekenen met coccidiose. Ze mogen zeker ’s nachts niet in de regen overnachten. Ze blijven na het verlaten van het nest nog zeker 14 dagen met de ouders rondlopen. Zorg dus zeker voor een droge bodem.

Als voedsel geeft men ze een goede graanmengeling aangevuld met een eiwitkorrel (P40-korrel) Ze zijn ook verzot op groene blaadjes en lusten ook wel meelwormpjes.

Ze kunnen onverwarmd overwinteren mits ze kunnen beschikken over een goed binnenhok waar ze kunnen schuilen tegen regen en wind.

Bronsvleugelduiven zijn zeker zeer geschikt voor de beginnende liefhebber: rustig in omgang, heel gemakkelijk in verzorging, kweken heel gemakkelijk en ze zijn zeker een prachtige schittering in de zon.

Armand Cleynen

uif P. chalcoptera