Sierlijke bronsvleugel

Wet. : Phaps elegans

  1. : Kleine Bronzeflügeltaube
  2. : Brush Bronzewing
  3. : Colombe élégante

Systematiek

De bronsvleugelduif (Phaps chalcoptera), de sierlijke bronsvleugel (Phaps elegans) en de harlekijnduif (Phaps histrionica) vormen een compacte groep van plompgebouwde duiven met prachtige bronskleurige vlekken op de vleugels. Ze behoren alle drie tot het genus Phaps.

Ze beschikken over lange, puntachtige vleugels welke hun toelaten tot een krachtige vlucht.

De sierlijke bronsvleugel kan bij gevaar in een hoek van 110° opvliegen. Na een korte vleucht strijkt ze dan met voorkeur in een open vlakte neer. Ze vliegt met gelijkmatige, snelle vleugelslagen, zonder een glijfase in te lassen.

De sierlijke bronsvleugel wordt ook wel eens de kleine bronsvleugel genoemd of zelfs kortweg ‘het elegantje’.

Naast de nominaatvorm komt er nog een tweede ondersoort voor:

- Phaps elegans elegans: (Temminck 1810) Het Zuidoostelijk deel van Australië, Queensland en Tasmania.

- Phaps elegans occidentalis: Zuidwestelijk deel van Australië van Dongara tot Point Culver.

Men treft ze vooral aan langs kustgebieden met een dichte struikbegroeiing en ook in sommige licht moerassige streken.

Balts en gedrag

De duif is een uitgesproken grondbewoner. De roep is een zwaarmoedig ‘kuu,kuu,kuu’ .

De balts geschiedt steeds op de grond. De doffer achtervolgt zijn duivin en blijft dan plots staan. Hij buigt voorover waarbij hij de vleugels spreidt en ze in al hun kleurenpracht frontaal presenteert aan de duivin. De staart is daarbij omhoog gehouden en ook lichtjes gespreid. Hierbij laat hij een zacht ‘kuu’ grommen horen. Daarna draait hij om zijn duivin en drukt ze met zijn kop over haar hals neer. De duivin laat zich dan wat doorzakken en de paring vindt plaats. Onmiddellijk na de paring laat hij nog een grommend ‘kuu’ geluid horen en gaat met een fier omhoog gedragen borst, wat slepende vleugels en een wat opengesperde bek nog even snel rond zijn duivin.

Beschrijving

Doffer: Deze duif is kleiner dan een gewone stadsduif. Ze is plomp gebouwd. Het voorhoofd is goudbruin. De schedel, de nek en de wangen zijn donker blauwgrijs. De keelvlek is kastanjebruin. Deze vlek zet zich streepsgewijs verder tot achter de ogen om zich met de kastanjebruine achter- en zijhals te verbinden. Onder deze band is er een witte streep gaande van de ogen tot de oren. De rug is olijfbruin, de vleugels zijn kastanjebruin met twee bronskleurige tot goudgroene glansbanden over de vleugeldekveren. De slagpennen zijn donkerbruin. De middelste staartpennen zijn olijfbruin, de volgende zijn kastanjebruin en de overige grijsachtig met zwarte banden. De onderzijde van de staart is donkergrijs met een bruine stippeling. De buikzijde is grijsblauw. De snavel is donkerbruin( bijna zwart). De oogiris is donkerbruin. De poten zijn helrood.

Grootte: 25 – 33 cm en een gewicht tussen 170 en 260 gram.

Duivin: Ze is minder fel gekleurd op de bovenzijde en heeft een bruine aanslag op de grijsachtige flanken en buikzijde. De goudkleur op het voorhoofd is minder fel gekleurd. De goudkleur op de keel ontbreekt bijna helemaal. De kastanjebruine oogstreep is onduidelijk. De vleugelspiegel is wat minder gekleurd. De snavel is bruiner, dus bleker dan die van de doffer. De oogiris is bruin en de poten zijn roze.

Gewicht: tussen 140 en 235 gram

Juvenile-vorm: De jonge vogels gelijken veel op de duivin met enkele verschillen. De borst is bruiner en elke veer heeft een lichte stippeling wat een schubachtig uitzicht geeft. De kastanjebruine kleur aan de keel en de oogstreep ontbreken. De vleugeldekveren zijn bedekt met een bruine stippeling. De gekleurde vleugelspiegel ontbreekt. De snavel is bruin. De oogiris is bruin en de poten zijn roze.

Kweek in beschermd milieu

Het was Temminck die in 1810 deze soort reeds beschreef. Voor het eerst ingevoerd in de Amsterdamse zoo in 1857. De eerste kweekresultaten zijn beschreven door Cornely uit Frankrijk in 1886.

Tot in 1960 werd deze duif veelvuldig ingevoerd. Ze zijn toch wat schuwer en terughoudender dan de gewone bronsvleugelduif. Hun voorkeur gaat uit naar een toch wat grotere volière, goed beplant met veel zonlicht maar toch ook wat duistere plaatsjes. Het nest wordt laag in een struik gebouwd of op een wat verscholen plaats in de binnenvolière.

De duivin legt twee eieren die door beide ouders gedurende 16 dagen bebroed worden.

De jongen blijven ongeveer drie weken in het nest, maar worden toch nog meer dan een week verder gevoederd.

Daar ze toch wat schuw zijn , moet je toch wat voorzichtig zijn bij nestcontrole, want ze laten nog al eens vlug het legsel verloren gaan.

Men houdt de dieren paarsgewijs in één volière en liefst zonder andere duivensoorten of vogels.

De vogels zijn wel winterhard, doch is het aangeraden om ze gedurende de winter ze tochtvrij te plaatsen.

De voeding bestaat uit een goede zadensamenstelling, aangevuld met een eiwitkorrel. Regelmatig wat vitamines langs het drinkwater.

De ringmaat bedraagt 7 mm.

De Heer Rinus Hennekam schreef in een vroeger artikel het volgende: Ik plaatse deze duiven in een volière van 5 m op 1 m en 1,90 m hoogte. De volière was volledig overdekt en op de bodem strooide ik een dikke laag dennennaalden. Steeds één paar per volière en in de winter werden de geslachten gescheiden en in een vorstvrij lokaal gehouden (ongeveer 3°). Gedurende deze periode werden de volières goed ontsmet. De vogels kregen dan een behandeling tegen wormen.

In maart worden de paartjes terug samengezet in de volières. Wanneer de jongen zelfstandig zijn, krijgen ze een eerste behandeling tegen wormen. Na twee maanden wordt deze behandeling nog eens overgedaan. Op deze manier heb ik talrijke jonge sierlijke bronsvleugels grootgebracht.

De sierlijke bronsvleugelduif is een duif die door de werkgroep van wilde duiven op de rode lijst geplaatst wordt. Op dit moment zijn er nog voldoende paartjes aanwezig, doch we merken op dat de kweek zienderogen achteruit gaat. Het is dan ook vijf voor twaalf om een kweekproject met deze duiven op te zetten. Hierover zullen we tijdens de volgende bijeenkomst van de werkgroep de resultaten bekend maken.

  1. Cleynen

duif P. elegans