De diamantduif

Door Armand Cleynen

Wet.: Geopelia cuneata Duits : Diamanttaübchen

Frans : Colombe Diamant

Engels : Diamond Dove

Systematiek en verspreidingsgebied

Het diamantduifje behoort tot het genus Geopelia. Tot ditzelfde geslacht behoren ook nog het zebraduifje (Geopelia striata) met haar verschillende ondersoorten zoals het vredesduifje, het Timorduifje en het gezelschapsduifje en ook de kopernekduif (Geopelia humeralis)

De diamantduifjes zijn vooral bewoners van Noord- en Centraal-Australië, waar ze voorkomen in open bosland en vooral in open grasgebieden. De temperaturen kunnen in hun biotoop oplopen tot meer dan 60°. Ze kunnen dan ook urenlang zonnebaden in deze verzengende hitte. Het is vooral in de vroege morgen of bij valavond dat ze op zoek gaan naar voedsel en water. In groepjes van 10 tot 12 duifjes zoeken ze urenlang naar voedsel op de grond. Dit bestaat uit zaden van allerlei grassen, kleine larven van insecten en ook groenvoer. Bij onraad kunnen ze zeer snel opvliegen.

Balts

De doffertjes laten een mooi geluid horen: een serie van vijf gelijktonige klanken: ‘ coo-coo, coo, coo-coo’. Als nestroep laat hij een tweelettergrepige lokroep horen: ‘ coorh-coo’ De doffer gaat achter het duivinnetje aan en zal voorover buigen met de staart in een waaiervorm tot op 90° opgeheven. Deze houding zal hij enkele malen na elkaar herhalen. Daarna zullen ze hevig trekkenbekken en zal het doffertje op de neergehurkte duivin springen en paren. Dit zal hij een paar keer na elkaar herhalen.

Voedsel

Het voedsel voor de diamantduifjes bestaat uit een mengsel voor exoten en kleine parkieten.

Dit wordt aangevuld met wildzaad en eivoer. Vogelgrit dient steeds aanwezig te zijn alsook zuiver water.

Doffer of duivin

Bij jonge vogels is het onderscheid tussen doffer en duivinnetje soms moeilijk te bepalen.

Bij uitgeruide dieren kan men wel naar bepaalde kenmerken kijken.

De rode oogranden zullen bij een doffer groffer rood en breder zijn dan bij het duivinnetje. Ook de druppeltekening zal bij de doffer groter en meer aanwezig zijn. De grondkleur van het duivinnetje zal doffer en bruiner zijn.

Kweek in beschermd milieu

Latham beschreef dit duifje reeds in 1801.

Voor het eerst ingevoerd in 1868 in de Londense Zoo, waar ook in 1871 de eerste geregistreerde kweek plaats vond. In 1875 werden dan ook bij Hagenbeck en bij Russ in Duitsland de eerste kweekresultaten behaald.

Het zijn duifjes die zowel in volières als in grotere broedkooien gehouden kunnen worden.

Grote broedkooi: De afmetingen van deze broedkooien moeten minimaal 100 cm bij 50 cm bij 50 cm zijn. Op de bodem strooit men een goede laag schelpenzand. Als nestgelegenheid kunnen zowel open kleine mandjes als halfopen kistjes aangeboden worden. Men plaatst liefst twee ruststokken in deze broedkooi. Als nestmateriaal worden cocosvezels ter beschikking gesteld. Het nestmandje hangt men liefst een beetje verscholen achter een dennentakje of wat takjes brem.

Volière: Het liefst worden deze duifjes natuurlijk gehouden in een zonnige volière waaraan ook een gesloten nachthok aanwezig is. De duifjes kunnen wel wat vorst verdragen, maar liefst houdt men ze toch tijdens de gure winterdagen in het binnenhok.

Deze volières hebben een afmeting van 0,5 m breedte, 1 tot 2 m diepte en 2 m hoogte. Hierin kan gemakkelijk een koppeltje samen gehouden worden met andere vogels of zelfs andere duivensoorten. Nestkistjes of korfjes hangt men wat verscholen op verschillende hoogtes op. De duifjes moeten zelf een nestplaats kunnen uitkiezen. Al spoedig zal men het doffertje horen roepen en ook zien pronken. Het doffertje zal een nestplaats uitkiezen en het duivinnetje naar deze plaats lokken. Als alles goed klikt, zullen ze een nestje bouwen met het aangeboden nestmateriaal. Sommige koppeltjes maken een stabiel nestje, andere dragen slechts enkele strootjes aan. Het duivinnetje legt twee eitjes en zal vooral ’s nachts broeden, terwijl het doffertje deze taak overdag waarneemt. Na 12-13 dagen broeden, zullen er twee kleine duifjes geboren worden. Zowel doffertje als duivinnetje zullen de jongen voeren. Als de jongen ongeveer 10 dagen oud zijn kan men ze ringen met ringmaat 3,5 mm. De ouders laten nestcontrole nogal goed toe en het zal zelden voorkomen dat ze hun jongen in de steek laten. Na ongeveer 14 dagen zijn de jongen vliegensklaar en zullen het nest verlaten. De ouders voeren nog een weekje verder maar zullen reeds aan een volgend broedsel beginnen.

In een volière kan men de jongen bij de ouders laten.

Ook is het mogelijk om met meerdere koppels in één volière te broeden. Men moet zich dan wel aan enkele regels houden: liefst meer dan twee koppels samen plaatsen en ook de drie of meerdere koppels op hetzelfde ogenblik in de volière brengen. Dus niet eerst één paartje en een paar weken later nog een paartje, want dit vraagt om moeilijkheden. Elk paartje bakent vlug zijn eigen territorium af binnen de volière.

Het zijn zeker zeer attractieve duifjes die wel van veel warmte houden.

Standaard

Algemeen voorkomen

Het diamantduifje heeft een mooi gestroomlijnd lichaam met een mooi gaaf aanliggend verenkleed. Er mogen geen opstaande veertjes zijn en de pootjes en nageltjes moeten proper en intact zijn.

Het lichaam van kop tot staart meet ongeveer 190 tot 210 mm

Gewicht: 23 tot 37 g

Houding

Wanneer het diamantduifje op de stok zit, moet het lichaam in een 45°- stand staan.

Rug

De rug moet lichtgrijs zijn, donkerder aan de top en met een wazige roze schijn erover. De rug moet lang en smal zijn. Bovenaan breder en versmallend naar de staart toe.

Ogen

De ogen staan centraal op de kop ingeplant. Het oog heeft een donkere pupil met een dieprode iris. Een oranjerode vlezige ring rond het oog dat door de drift goed zichtbaar kan opzwellen.

Bij het doffertje is deze ring meer opgezwollen en roder van kleur dan bij het duivinnetje.

Kop

De kop moet bijna rond zijn.

Nek

De nek moet mooi overlopen van kop naar de rug toe. Het gevederte moet mooi glad liggen en geen opstaande veders vertonen.

Lichaam

Het lichaam moet mooi gestroomlijnd zijn. Het gevederte moet goed glad aanliggen.

Vleugels

De vleugels moeten aanliggend gedragen worden en de rug bedekken. De lengte van de vleugels bedraagt tussen de 7,5 cm en 8 cm. Wanneer de vleugels gesloten gedragen worden, moeten ze tot ongeveer 7,5 cm van het uiteinde van de staart reiken. De vleugels mogen in geen enkel geval onder de staart gedragen worden.

Staart

De staart bestaat uit 14 staartpennen en moet ongeveer 10 cm lang zijn. De staartveren worden mooi aanliggend gedragen zodat ze een afgerond uiteinde vormen.

Poten

De poten moeten lichtroze van kleur zijn. De pootjes worden wat naar voren gedragen net of het duifje aanstalten maakt om weg te vliegen. Van op het zijzicht moeten ze mooi parallel ingeplant zijn.

Ringmaat

3,5 mm

Kleurmutaties

Volgende kleurslagen worden erkend: blauw (wildkleur), zilver, bruin (cinnamon), rood, briljant, geel, perzikkleur, bont, witstuit-blauw, witstuit-zilver, witstuit-bruin, witstuit-briljant, witstuit-geel, witstuit-bont, sneeuwwit.

Blauw (wildkleur)

Kop: Lichtblauw.

Keel - borst: Lichtblauw, verbleekt naar het onderlijf toe.

Buik: Witachtig.

Rug – vleugels: Donkerblauw met een bruine waas.

Over de hele vleugel zijn kleine witte stippels verdeeld. Deze verdeling

moet regelmatig zijn. Elke witte stippel is met een zeer smal zwart

lijntje afgeboord.

De vleugelpennen zijn roestkleurig, eindigend op een donkergrijze

band.

Staart: Lange, smalle staart. De centrale pennen zijn donker grauwbruin

eindigend op een zwart bandje. De buitenste pennen zijn half wit

afgeboord. De onderstaart is wit.

Snavel: Blauwachtig.

Ogen: Rode iris met donkerbruine pupil. Om het oog is een rode naakte

vlezige oogring. Deze is wel groter bij de doffer.

Poten en tenen: Roze tot vleeskleurig.

Nagels: Hoornkleurig.

De duivin is bruiner gekleurd op de bovenzijde van het lichaam, de oogring is minder hevig, en de stippeltekening is minder geaccentueerd.

De blauwe diamantduif is dominant ten opzichte van alle andere kleurmutaties.

Typische fouten: Niet egale kleur.

Onregelmatige stippelverdeling op de vleugels.

Te klein.

Kromme pootjes of ontbrekende nageltjes.

Geschonden bevedering.

Zilver

Deze mutatie werd voor het eerst gekweekt rond de jaren 1950. Het is een mutatie die de wildkleur volledig heeft opgebleekt. Door het teveel toepassen van inteelt worden de duifjes wel eens vlug te klein aangeboden.

Kop: Zilvergrijs.

Borst: Zilvergrijs.

Buik: Wit met een zilveren waas.

Nek – rug: Zilvergrijs, wel iets donkerder dan de kop.

Vleugels: Zilvergrijs, met witte symmetrisch verdeelde stippeltekening. Geen

donkere bandjes om de stippels.

Staart: De binnenste staartpennen zijn zilvergrijs, de buitenste zijn voor de

helft wit gekleurd. De onderstaart is wit met een zilveren waas.

Noch in de vleugels, noch in de staart mag een bruine schijn aanwezig

zijn.

Snavel: Zilvergrijs.

Ogen: Roodbruin, met een rode naakte oogring.

Poten en tenen: Vleeskleurig.

Nagels: Hoornkleurig.

Zilver is recessief ten opzichte van de blauwe kleur.

Typische fouten: Niet egale kleur.

Te klein.

Onregelmatige stippelverdeling op de vleugels.

Geschonden bevedering.

Bruin (cinnamon)

Deze mutatie vertoont zeer veel verschil in kleurpigmentatie : individueel en ook verschillend tussen de geslachten. De doffers zijn over het algemeen veel bleker van kleur dan de duivinnen. Deze kleurmutatie is van groot belang om mooie briljante diamantduifjes te kweken.

Kop: Grijsblauw met een bruine waas.

Nek – rug: Bruin tot bruinzilver.

Borst: Grijsblauw met een bruine waas.

Buik: Wit met een lichtbruine tint.

Vleugels: Grijsblauw met een bruine waas. Witte symmetrisch verdeelde stippel-

tekening over de hele vleugel, doch veel minder opvallend dan bij de

vorige mutaties. De buitenste slagpennen zijn diep roestkleurig, om te

eindigen in een bruinzilver.

Staart: De bovenstaart is bruinzilver, de onderstaart is wit.

Snavel: Grijsblauw.

Ogen: Rode iris met donkerbruine pupil. Naakte rode oogring.

Poten en tenen: Vleeskleurig.

Nagels: Hoornkleurig.

De duivin kan in kleur variëren van zilverbruin tot echt donkerbruin.

Bruin is recessief ten opzichte van blauw.

Typische fouten: Onregelmatige stippelverdeling op de vleugels.

Vlekkerig op de rug.

Bonte nagels.

Geschonden bevedering.

Briljant

Deze mutatie is eigenlijk een combinatie van de zilver en de bruine diamantduif.

Om mooie briljante diamantduifjes te kweken zou men steeds bruine diamantduifjes met briljante moeten koppelen.

Kop: Zilver met een crème waas.

Borst: Zilvercrème.

Buik: Wit met een crème waas.

Rug: Zilvercrème.

Vleugels: Zilvercrème met witte stippels over de hele vleugel verdeeld. Tussen

de stippelverdeling is eveneens een crème waas aanwezig.

Staart: De bovenstaart is zilvercrème, de onderstaart is wit.

Snavel: Vleeskleurig.

Ogen: Bruinrood met een naakte rode oogring. Deze ring geeft een mooi

contrast met de bleke kleur van het lichaam.

Poten en tenen: Vleeskleurig.

Nagels: Wit.

Typische fouten: Te klein.

Onregelmatige stippelverdeling op de vleugels.

Geschonden bevedering.

Rood

Deze kleurslag is ontstaan uit de bruine diamantduifjes.

De rode diamantduif is bijna een wit duifje, waarvan de uiteinden van de veertjes zilvergrijs zijn.

De buitenste slagpennen van de vleugels zijn rood, eindigend op een wit zilverkleurige band.

De doffer is bijna wit, alleen wat roodbruin gekleurd op de achterzijde van de kop, de nek, de rug en de schouders.

De duivinnen zijn witter van kleur, doch de roodbruine gedeeltes zoals beschreven bij de doffer zijn feller roodbruin gekleurd.

Geel

De kop, de nek, de borst en de onderzijde van het lichaam vertonen een licht zilvergrauwe kleur. De bovenzijde van het lichaam, van de kop over de nek, de rug en de romp tot de centrale staartpennen is strogeel gekleurd.

Bij de witte stippels op de vleugels ontbreken de donkere omlijningen.

De buitenste slagpennen vertonen een oranjekleurig centraal gedeelte omring door een zilvergrijze band, de kleine vleugelpennen zijn zilvergrijs.

De binnenste staartveren zijn crèmekleurig, overgaand naar buiten toe in donkergrauw en de buitenste zijn bij de inplanting grauw en zijn voor tweederde wit.

De duivinnetjes zijn in het algemeen lichter van kleur.

Geel is recessief ten opzichte van blauw.

Perzik

De perzikkleurige diamantduif is ontstaan uit een combinatie van geel en zilver.

Het is eigenlijk geen mutatie op zichzelf, maar een kleurvariatie op de gele kleurslag.

De kleurschakering van het perzikkleurig diamantduifje komt overeen met deze van de gele, behalve dat de strogele kleur hier nu meer grijs-zilverachtig is.

De kop, de nek en de borst zijn lichtzilver. De vleugelstippen zijn zeer onduidelijk.

De buitenste vleugelpennen zijn oranje met een zilveren afboording.

De enige donkergrauwe kleur vinden we terug in de centrale staartpennen.

Deze duifjes hebben vaak helrode ogen.

Bont in alle voorgaande kleurslagen

De bonte diamantduif volgt eigenlijk de karakteristieke kleurpatroon als de gewone kleurslag, behalve dan dat de bontfactor aanwezig is.

Over het algemeen zal het duifje donkerder van kleur zijn dan de gewone kleuslag.

De witte bontfactor vinden we terug op de kop, in de nek, op de borst en een heel weinig op de rug en de vleugels.

Sneeuwwit

Sneeuwwit is eigenlijk geen mutatie op zichzelf maar een combinatie van drie kleuren: geel, zilver en witstuit.

Men moet rekening houden dat we hier steeds twee generaties verder moet kweken om deze kleur te bekomen.

Het hele lichaam is werkelijk sneeuwwit met uitzondering de buitenste vleugelpennen die crèmekleurig zijn. De ogen zijn fel rood gekleurd.

Deze vogels zijn gewoonlijk zeer zwak.

Witstuit in alle voorgaande kleurslagen

.

Het is een mutatie die dominant vererft.

Kenmerkend voor deze vogels is de gans witte stuit, ook de bovenste staartpennen zijn wit en de stippeltekeningen op de vleugels zijn duidelijk groter en driehoekig van vorm.

De lichaamskleur heeft een meer pastelkleurige tint.

Voor de rest komen de kleurschakeringen overeen met de gewone kleurslagen zoals blauw, zilver, bruin, briljant, geel en bont.