Duiven uit het genus GALLICOLUMBA.

Dolksteekduiven

Systematiek

Een van de mooiste groepen van wilde tropische duiven is zeker de familie Gallicolumba.

Deze groep van grondduiven kenmerkt zich vooral door het gedrongen kwartelachtig voorkomen, lange looppoten, korte vleugels en korte staart. Er is ook een opvallend verschil in grootte gaande van kleiner dan een lachduif tot de grootte van een postduif. De kleinere soorten wegen ongeveer 80 g, de grotere kunnen een gewicht bereiken van ongeveer 250 g.

Het zijn duiven die zich vooral op de grond ophouden en in dicht begroeide omgevingen. Het zijn duiven die men zelden in hun biotoop kan waarnemen. Daarom ook is hun gedrag in de vrije natuur veelal onbekend.Ze zoeken hun voedsel op de grond. Dat bestaat uit zaden, verschillende soorten bessen, maar vooral insecten. Ze nestelen ook vaak op de grond of tot op ongeveer één meter hoogte.

Het aantal staartpennen verschilt van soort tot soort. Gewoonlijk hebben ze 14 staartpennen, maar er zijn ook soorten die er slechts 12 hebben en ook individuen die er 16 hebben.

De auteur D.Goodwin (Pigeons and Doves of the world) deelt de genus Gallicolumba op in twee delen.

De eerste groep bestaat hoofdzakelijk uit de groep dolksteekduiven die voorkomen op de Filippijnen en die gekenmerkt worden door de rode of oranje vlek op de borst.

De tweede groep bestaat vooral uit vogels die bovenaan puperachtig gekleurd zijn en gewoonlijk een tamelijk witte borst vertonen.

Van de 19 soorten zijn er ooit 9 ingevoerd en werden met 7 kweekresultaten behaald.

Het genus Gallicolumba bestaat uit:

- Gallicolumba luzonica Dolksteekduif

- Gallicolumba criniger Bartlett dolksteekduif.

- Gallicolumba platenae Mindoro dolksteekduif

- Gallicolumba keayi Negros dolksteekduif

- Gallicolumba menagei Tawi-Tawi dolksteekduif

- Gallicolumba rufigula Goudborst dolksteekduif

- Gallicolumba tristigmata Celebes grondduif

- Gallicolumba jobiensis Witborstduif

- Gallicolumba kubaryi Kubary grondduif

- Gallicolumba erythroptera Society grondduif

- Gallicolumba xanthonura Marianes grondduif

- Gallicolumba norfolciensis Norfolk grondduif

- Gallicolumba stairi Stairs grondduif

- Gallicolumba sanctaecrusis Santa Cruz grondduif

- Gallicolumba salamonis Diksnavel grondduif

- Gallicolumba rubescens Marquesas grondduif

- Gallicolumba beccarii Beccari’s grondduif

- Gallicolumba canifrons Pelau grondduif

- Gallicolumba hoedtii Wetar grondduif

De Gallicolumba norfolciensis (Norfolk grondduif) is waarschijnlijk uitgestorven.

In de volgende artikels zullen we ons echter beperken tot deze vijf soorten die hier bij ons min of meer frequent gehouden worden: de dolksteekduif, de Bartlett dolksteekduif, de Celebes grondduif, de goudborst dolksteekduif en de witborstduif.

De dolksteekduif

Wet.: Gallicolumba luzonica E: Bleeding-heart Pigeon

F.: Colombe poignardée

D: Dolchstichtaube

Beschrijving:

De dolksteekduif is ongeveer 26 tot 28 cm groot, kortgebouwd en vrij rond van vorm. Het gewicht varieert tussen 150 en 200g. Het voorhoofd heeft een grijze schijn dat overgaat in een meer grauwachtige kleur. Het achterhoofd, de nek, de rug en de borstzijden zijn loodgrauw met een metaalgroene schijn op een purperen gloed. De kin, de keel en de zijkanten van het gezicht beneden het oog zijn wit. Het meest opvallende van deze duif is dan wel de bloedrode vlek op de borst. Deze vlek bestaat uit zeer stijve veren en geeft een wat ingedrukte indruk. Het rood van de borst gaat over in zalmrood op de lagere borstveren en de buikstreek. Deze plek toont veel gelijkenis met een bloedende steekwonde. Op de Filippijnen wordt deze duif ‘Punalada’ genoemd, hetgeen betekent: ‘Met een dolk gestoken’. Vele mensen denken dan ook bij het eerst zien van deze duiven dat deze zich gekwetst hebben.

De vleugeldekken zijn grauw met twee goed zichtbare donkerbruine banden en één meer verwaterde band. De grote en kleine slagpennen zijn bruin met een roodbruine band. De middelste staartpennen zijn grauwbruin, de buitenste meer grauw. Over de staart loopt een donkere dwarsstreep. De snavel is bruinzwart, de oogiris roodbruin. De tamelijk lange poten zijn rood.

De geslachten zijn toch wel moeilijk te onderscheiden omdat duiver en duivin hetzelfde gekleurd zijn.

Het duivinnetje is gewoonlijk wat kleiner en het doffertje staat ook wat hoger op de poten.

Bij volwassen dieren is er ook een klein verschil op te merken in de rand rond de oogiris:bij de duivin is de oogiris wat meer grijsachtig purper gekleurd.

De jonge dieren zijn wat valer van kleur en onduidelijker van tekening. Ze missen ook die echte duidelijke rode vlek op de borst.

Verspreidingsgebied en systematiek

De dolksteekduif komt voor op de Filippijnse eilanden Luzon en Polillo.Men treft ze vooral aan in de dichtbeboste gebieden. Het grootste gedeelte van de dag vindt men ze op de grond op zoek naar bessen, zaden en insecten. Slapen doen ze wel in de bomen. Nestelen doen ze verscholen op de grond of laag tegen de grond (op ongeveer 1 meter).

D.Goodwin vermeldt geen ondersoorten.

In het meer recente boek ‘ Handbook of the Birds of the World’ worden naast de nominaatvorm nog twee ondersoorten vermeld.

- G.l. luzonica (Scopoli, 1786) : Centraal- en Zuid-Luzon en Polillo (het noordelijk deel van de Filippijnen).

- G.l. griseolateralis Parkes, 1962: Noord-Luzon.

- G.l. rubiventris Gonzales, 1983: Vigo-Gigmoto, Catanduanes(Noordoosten van de Filippijnen).

Balts

Als roep brengt de duif een klagend ‘Kuuuu’ of ‘Kuu-uu’ geluid voort. Bij de balts verandert deze roep meer in een gorgelend ‘Kruu-kuu-kuu-kuu’ geluid. De doffer jaagt fel achter de duivin aan, blijft dan plots staan, drukt dan de staart tegen de grond aan en blaast als het ware zijn borst op zodat de rode vlek wel tweemaal zo groot lijkt. Daarna buigt hij de kop naar voren en stoot dan zijn gorgelend geluid uit. Hij zal dan ook meermaals na elkaar de vleugels tot boven heffen en het ceremonieel kan herbeginnen tot de duivin op zijn avances zal ingaan. Hierbij trilt zij dan met de vleugels. De doffer zal daarna de duivin voeren (trekkebekken, snavelen) en al vlug zal dan de copulatie volgen.

Kweek in beschermd milieu

De dolksteekduif werd voor het eerst in 1786 beschreven door Scopoli. In Europa werd ze voor het eerst ingevoerd in de Londense zoo in 1869. De eerste kweekresultaten werden behaald door de heer Cornely in Frankrijk. Verder is er hier niets over vermeld, maar later zijn er wel tal van gegevens genoteerd. In 1877 kweekte de Fransman Delaurier van zijn eerste paar dolksteken drie jongen. In 1878 zes jongen, in 1879 zestien jongen en in 1880 met behulp van pleegouders twintig jongen uit 34 eieren.

In hun biotoop zijn ze echter vrij zeldzaam geworden, doch bij de liefhebbers is er materiaal genoeg om zeer goede stammen op te bouwen.

Wanneer men van plan is zich een koppeltje dolksteekduiven aan te schaffen, moet men toch wel met enkele feiten rekening houden.

Eerst en vooral is het transport van deze dieren alleen aangewezen in speciaal aangepaste transportkisten. Deze moeten bovenaan afgedekt worden met een linnen doek en de vier zijwanden dienen afgewerkt te worden met zacht materiaal (mousse). De kisten mogen niet te hoog zijn om geen kop – of vleugelbeschadigingen op te lopen. Ook steeds maar één duif per afdeling in de kist plaatsen. Kartonnen dozen zijn hiervoor niet geschikt.

Indien je een keuze kunt maken tussen een aantal dieren, kies dan zeker vroege jongen en liefst de grootste dieren met een zeer mooie rode vlek op de borst. Kies natuurlijk ook geringde dieren.

Wanneer men de dieren vrij laat in de volière, laat men ze liefst heel rustig hun nieuwe omgeving verkennen. Stoor ze de eerste dagen zo weinig mogelijk en je zult zien dat deze dieren na een tijdje dan ook zeer mak zullen worden.

Het voedsel bestaat uit een goed gevarieerd zaadmengsel, een goede eiwitkorrel (P 40), aangevuld met universeelvoer en fruit (bessen, in kleine stukjes gesneden appel, enz.).

Verlekkeren kan men ze zeer gemakkelijk door het toedienen van enkele meelwormpjes.

De volière is liefst goed beplant en voorzien van een bladaarde bodem. Hierin zoeken ze dan ook graag naar insecten. De volière moet dan ook voorzien zijn van verschillende broedkistjes die op verschillende hoogten opgehangen worden. Sommige paartjes broeden graag laag tegen de grond, andere zoeken de hogere plaatsen op. De kistjes worden ook wat afgedekt met dennentakken. Wanneer de volière groot genoeg is, verdragen ze goed de aanwezigheid van een paar kleinere duifjes (diamantduifje, vredesduifje, zebraduifje, enz.). De doffer zal al spoedig overgaan tot het zoeken naar een geschikte broedplaats. Hij zal dan ook het duivinnetje naar deze plaats lokken en wordt deze plaats dan door haar geaccepteerd , dan wordt het nest volledig afgewerkt. Persoonlijk geef ik steeds lange dennennaalden en gedroogd gras al nestmateriaal. Zelf gebruiken ze ook vele groene blaadjes om het nest te maken. Het eerste ei wordt gewoonlijk in de avonduren gelegd en het tweede eitje volgt ongeveer 32 uren later. (grootte ei = 28 mm x 21,5 mm). De doffer broedt overdag, de duivin ’s avonds en ’s nachts. Nestcontrole is soms wel gevaarlijk, doch wordt door goede kweekdieren wel toegestaan. Na 14 dagen broeden komen de jongen uit. Wanneer er jongen zijn, mag wat extra levend voedsel toegediend worden. Het opgroeien gebeurt zeer snel en na 14 dagen verlaten ze reeds het nest. Daarom moet men wel wat rustig te werk gaan met het ringen van de jongen. Deze willen na het ringen nogal eens vlug uit het nest springen. Men plaatst dan de dieren rustig terug in het nest en men houdt de hand wat boven de jongen, zodat ze volledig tot rust kunnen komen. De nestverlatende jongen lijken nog wat onbehulpzaam in het vliegen, doch kunnen zeer snel over de grond rennen en steken zich dan ook zeer vlug weg onder een struik of een steen. De periode van het verlaten van het nest is wel de meest gevaarlijke. Eenmaal dat de jongen zelfstandig zijn, neemt men ze uit de volière of de oude doffer zou ze anders kunnen blijven vervolgen als concurrenten en ze zelfs doden. Jonge dolksteekduifjes zijn echter steeds zeer schuw. Men moet ze dan ook zeer voorzichtig behandelen, daar ze zich anders gaan kwetsen door tegen het gaas aan te vliegen.

Na de rui gaat deze schuwheid er meestal af.

(Ringmaat = 6 mm).

Overwinteren.

Dolksteekduiven worden steeds vorstvrij overwinterd. Liefst worden in de winter de geslachten ook gescheiden gehouden, daar anders de doffer bij zeer zachte temperatuur wel eens te driftig kan worden met alle nare gevolgen voor het duivinnetje. Het overwinteren gaat heel goed door de dieren onder te brengen in grote kweekkooien. Doch men moet wel voorzichtig zijn indien de lucht in de ruimte te droog wordt (door centrale verwarming).

De pootjes van de dieren zullen dan uitdrogen en zelfs na een tijdje soms breken. Regelmatig de pootjes inwrijven met olie kan wonderen doen. Of lage platte drinkbakken in de kooi plaatsen, zodanig dat de duifjes geregeld door het water lopen en zo hun pootjes vochtig houden. Het water wordt dan wel tweemaal daags ververst. Men kan ook platte schalen gebruiken met daarin een mousse die men steeds vochtig houdt. Het eetpotje plaatst men dan midden in dit schaaltje. De dieren moeten dan steeds over de vochtige bodem lopen om te gaan eten.

Broeden met pleegouders.

Sommige dolksteekduiven gaan niet over tot broeden of laten na een paar dagen het legsel liggen. Men kan dan in uiterste nood overgaan tot het gebruik van pleegouders. Lachduifjes zijn hiervoor de meest geschikte. Deze duifjes brengen met de grootste zorg de jonge dolksteekduiven groot.

Het voedsel van de lachduifjes dient vooraf wel wat aangepast te worden aan het voedsel van de dolksteekduiven. Men moet ook steeds erover waken dat de pleegouders in zeer goede gezondheid verkeren. Lachduifjes gaan te snel van papvoeding over op zaadvoeding en dat is nadelig voor onze dolksteekduifjes, daar ze dan gewoon gaan stikken in deze voeding. Het is daarom aangeraden een korrelvoeding toe te dienen aan de lachduifjes. (fazantenkorrel of een duivenkorrel). Maak echter geen leghennetjes van je dolksteekduiven.

Algemene beschouwing.

De dolksteekduif is zeker een parel die in de collectie niet mag ontbreken. Doch er moet zeker en vast ook zorg voor gedragen worden.

Indien ze met de nodige zorg behandeld worden, zijn het zeker duifjes die, met het nodige geduld, de jongen zelf zullen groot brengen in de volières.

A. Cleynen.