Goudborstduif G. r. ru

Wet.: Gallicolumba rufigula E.: Golden-Heart Pigeon

F.: Colombe à poitrine jaune

D. : Goldbrusttaube

Beschrijving

De goudborst dolksteekduif is wat kleiner dan de lachduif, doch wat plomper gebouwd. Het voorhoofd is roodbruin tot goudkleurig overgaand in okergeel naar het gezicht toe.Boven en onder het oog vertonen ze een blauwgrijze vlek.. De bovenkant van de kop, de nek, de halszijden alsook de rug zijn glanzend groenbruin. De staart is roodbruin. De vleugeldekveren hebben brede lichtbruine zomen, die bij een gesloten vleugel 5 opvallende dwarsbanden vertonen. De grote slagpennen zijn donkerbruin . De keel, de borst en de buik zijn wit overgaand in goudgeel naar het midden van de borst toe. Deze goudgele vlek in het midden van de borst bestaat uit wat stijvere veertjes. Deze vlek loopt door tot aan de buik, maar wordt matter van kleur naar de onderbuik toe. De flanken en de onderstaartveren zijn roodgeel en de onderkant van de vleugels zijn zwart met brede witte eindpunten. De middelste staartpennen zijn purperkastanjebruin en de buitenste zijn grijs met brede donkere dwarsbanden.De snavel en de poten zijn roodbruin. . De oogrand is rood en de iris is purperrood met een lichte purperen binnenring.

Doffer en duivin zijn zeer moeilijk uit elkaar te kennen. In het algemeen is de duivin wat kleiner van bouw en ook wat matter gekleurd. De doffer staat ook wat hoger op de poten.

Doch een gulden regel is dit niet.

Jonge goudborstduiven hebben een roodbruinige borstkleur.

Deze beschrijving geldt voor de nominaatvorm(G. r. rufigula).

Bij de ondersoort G. r. alaris ontbreekt de blauwgrijze vlek aan het hoofd en deze vlek is dan ook meer rozebruin gekleurd.

De ondersoort G. r. helviventris gelijkt veel op de alaris, maar hier zijn de grauwachtige banden meer paarser gekleurd, zodat ze minder opvallen.

Verspreidingsgebied en systematiek

De goudborst dolksteekduif behoort tot de familie Gallicolumba.

Naast de nominaatvorm zijn er nog vier ondersoorten bekend, die elk kleine onderlinge kleurverschillen vertonen naargelang ze voorkomen op de diverse eilanden.

- G. r. rufigula : (Pucheran 1853) westelijk deel van de Papua-eiland.

- G. r. septentrionalis : (Rand 1941) noordelijk deel van Nieuw-Guinea tot de Huon Golf.

- G. r. helviventris : (Rosenberg 1867) op de Aru-eilanden en het zuidelijk deel van Nieuw-Guinea.

- G. r. alaris : (Rand 1941) zuidelijk deel van Nieuw-Guinea tot Karimui.

- G. r. orientalis : (Rand 1941) het zuidoostelijk deel van Nieuw-Guinea tot Mambare en Angabunga.

Deze duif bewoont vooral de dichte wouden in de dalen alsook de bergwouden tot een hoogte van 1600 m. Ze houdt zich vooral op de grond op, waar ze steeds op zoek zijn naar voedsel. Dit voedsel bestaat vooral uit granen, insecten en bessen.Het is een duifje dat zeer veel van schemering houdt en dat is zeer goed waar te nemen aan de relatief grote ogen.

In hun natuurlijk biotoop maken ze een nest van groene twijgen en dode bladeren. De nesten worden aangetroffen op een hoogte welke varieert tussen 1 m en 2,20 m boven de grond en vooral op een donkere, veilige plaats.

Balts

Het baltsritueel heeft steeds plaats op de grond. De doffer gaat gewoonlijk voor de duivin plaatsnemen en richt zich met tussenpozen op en heft hierbij de vleugels hoog op zodat de binnenzijde van deze vleugels goed zichtbaar is. Vervolgens maakt hij zich zo klein mogelijk en buigt voorover. Het geluid dat hij hierbij maakt klinkt als ‘trrrrr’. Als de duivin ingaat op het voostel van de doffer, zal deze met de vleugels trillen. Ze laat zich dan ook voederen door de doffer en deze zal dan enkele keren fier rond de duivin draaien tot deze zich door de poten laat zakken en de copulatie kan dan plaatsvinden.

Voeding

De voeding van deze duiven bestaat uit een goede duivenmengeling, aangevuld door een eiwitkorrel (P40). Graag nemen ze ook wat meelwormpjes aan. Deze komen ze zelfs uit de hand halen.

Kweek in beschermd milieu

Het was Pucheran die ons het bestaan van deze duif in 1853 liet kennen. Ze werd in 1914 voor het eerst in Europa ingevoerd en dit in Engeland in de Londense zoo. Nadien zijn er nog importen geweest en het is dhr. Ezza uit Engeland die in 1936 voor het eerst kweekresultaten geboekt heeft met deze duif. Het paartje was ondergebracht in een zeer grote volière samen met nog verschillende andere vogels. Op 16 september werd een eitje gelegd in een korfje op 3 m hoogte. Op 17 oktober heeft het jong het nest verlaten en was dan voor ongeveer 2/3 volgroeid. Het werd dan nog meer dan een week verder gevoerd tot het volledig zelfstandig was. In de jaren ’70 kweekte de Nederlander M. Verhoeven al succesvol met deze duifjes.

Rond 1976 werden verschillende paartjes in Nederland en Duitsland ingevoerd.

Op het einde van de jaren ’80 waren het de Belgen Raymaekers uit Geel en Van den Wijngaerdt uit Emblem die zeer goede kweekresultaten haalden met deze duifjes.

De goudborst legt slechts 1 crèmekleurig ei, dat ongeveer 18 – 19 dagen bebroed wordt.

De doffer broedt overdag en de duivin van ’s avonds tot ’s morgens.

De duifjes verkiezen een goed beplante volière met een tamelijk vochtige bodem.

Men brengt enkele open nestkistjes of korfjes in de volière aan liefst laag tegen de grond, op ongeveer 1 m hoogte. Probeer deze nestgelegenheden ook wat verborgen op te hangen zodat de duifjes zich veilig gaan voelen. Als de duifjes in een goede conditie zijn en men beschikt over een paartje dan zal men al vlug de balts waarnemen en zal men ook de doffer zien sleuren met dode bladeren. Wanneer de duif broedt en men komt wat te dicht bij dan zal deze zich echt diep wegdrukken in het nest. Wanneer het jong op komst is, zal men beide ouderdieren op het nest zien. Het jong groeit zeer traag maar zal toch reeds na ongeveer 14 dagen het nest verlaten. Daarna wordt het toch nog een drietal weken verder gevoederd door de ouders. Het jong is dan zelfstandig en dan ios het ook raadzaam om het jong apart te zetten.

Bij Piet Voets uit Nederland toonde een doffer, geboren op 16 september reeds baltsneigingen aanvang februari. Doch wil ik wel vermelden dat we beter wachten met kweken tot de dieren overjaars zijn. Deze dieren zullen dan ook steviger jongen geven.

Vele koppeltjes broeden echter niet zelf en dan is het wel raadzaam om enkele paartjes lachduiven te houden als eventuele pleegouders. Doch denk er aan om geen’ legkippen’te maken van deze duiven.

Tijdens de winterperiode moet men deze duifjes vorstvrij en liefst zelfs wat verwarmd onderbrengen. Opgepast echter want deze duifjes hebben zeer tere pootjes. Wanneer ze een lange periode op een droge bodem lopen, ontstaan er schubben op de pootjes en dit kan zelfs zo ver gaan dat de teentjes afbreken. Dit kan men dan wel verhelpen door de pootjes regelmatig in te smeren met een vettige zalf.

Een zeldzaam duifje, alleen geschikt voor ervaren kwekers, doch dat door zijn aanhankelijkheid als een waar goudklompje mag gezien worden in de volière.

A. Cleynen

figula