Australische mus

Australische muskaatduif Ducula spilorrhoa)

E.: Australian Pied Imperial Pgeon of Torresian Imperial pigeon

F.: Carpophage blanc d’Australie

D.: Australische Muskatnuss Fruchttaube of Fleckenfruchttaube

Van de Australische muskaatduif zijn er vier ondersoorten waargenomen:

Ducula s. spilorrhoa (G.R.Gray,1858)

Ducula s. subflavescens (Finch, 1886)

Ducula s. tarara

Ducula s. melvillensis

Dit is dan ook de moeilijkste muskaatduif om een correcte beschrijving te geven omdat er zo een grote variëteit kleuren bestaat tussen de verschillende ondersoorten.

Twee ervan treft men soms wel bij de liefhebbers aan.

Beschrijving:

De grootte varieert tussen 38 en 44 cm en het gewicht zit tussen 45O en 55O g.

Het kleurenpatroon komt ongeveer overeen met de bonte muskaatduif.

Het grootste gedeelte van het gevederte is wit, soms met een wat roomkleurige tot grijsachtige tint. Vooral de kop en nek vertonen een grijsachtige kleur. De vleugelslagpennen zijn zwart met soms een lichte grijze tint. De laatste helft van de staart is ook zwart. Op de dijbenen komen zwarte vlekken voor en de onderstaart is zelfs zwartgeband.

De poten zijn blauwgrijs.

De snavel is geel tot geelgroen.

Ducula s. tarara: heeft hetzelfde kleurenpatroon als hierboven beschreven, maar het witte gedeelte is grijs van kleur.

Biotoop:

Ducula s. Spilorrhoa: eiland Aru, de eilanden van de Torresstraat, het zuidwestelijk deel van Nieuw-Guinea en omringende eilanden, van Noord- en Oost-Australië tot aan Nieuw-Zuid-Wales.

Ducula s. subflavescens: op de eilanden van Admiralt en de Bismarck-Archipel.

Ducula s. tarara: het zuidelijk deel van Nieuw-Guinea en het eiland Daru.

Ducula s. melvillensis: Zuidoostelijk deel van Nieuw-Guinea, het noorden en noordoostelijk deel van Australië en de eilanden Lord Howe en Grange.

Kweek in beschermd milieu

De muskaatduiven staan de laatste jaren op het verlanglijstje van vele duivenliefhebbers.

Deze duiven worden ook regelmatig eens aangeboden, doch vele zijn gewoon door elkaar gekruist en we hopen met bovenstaande beschrijvingen toch wat duidelijkheid te brengen in deze wirwar.

Het zijn grote duiven en dus verlangen ze ook een grote volière, liefst goed aangeplant. Het zijn zeer goede vliegers.

Tijdens de koude dagen worden ze liefst binnengehouden en tijdens de winterperiode moeten ze ook vorstvrij gehouden worden.

Een paar goede nestkorven worden hoog in de volière aangebracht. Op de grond werpt men liefst enkele berkentakken daar deze duiven een stevig nest bouwen dat later dienst moet doen voor het jong dat zich stevig met de poten aan deze takken kan vastgrijpen. Op deze manier voorkomt men dat de ouders het pasgeboren jong mee uit het nest sleuren.

Als voeding geeft men verschillende soorten fruit mooi in kleine blokjes gesneden.

Dit kan men aanvullen met verschillende soorten pellets zoals P4O-korrel en de verschillende korrels van de firma Versele-Laga. Sommige liefhebbers geven geen fruit en dienen alleen maar pellets toe. In beide gevallen zijn er goede broedresultaten behaalt.

Ze leggen steeds één ei dat ongeveer 26-28 dagen bebroed wordt.

  1. Cleynen

Geraadpleegde werken:

Pigeons and Doves (David Gibbs, Eustace Barnes and John Cox)

Die wildtauben der erde (Gerhard Rösler)

Handbook of the birds of the world ,volume 4 (Josep del Hoyo,Andrew Elliott, Jordi Sargatal)

Wilde duiven van de wereld (Wilfried Lombary)

kaatduif D. spilorrhoa tarara