Schubbenhalsduif C. spe

Wet.: Columba speciosa E. : Scaled dove

F : Pigeon ramiret

D.: Schuppenhalstaube

Beschrijving :

Deze duif is iets kleiner dan een stadsduif en bezit een schuin voorhoofd. De kop is purperbruin, de halsveren zijn zeer donker(bijna zwart) met witte eindvlekjes en purperglanzende eindzomen , die vanaf de bovenborst in goudbruine, witgevlekte veren en op de hals in kopergoudgevlekte veren overgaan. Het onderste gedeelte van de borst en de buik zijn witachtig met purperbruine zomen. De mantel, de rug, de stuit en de vleugeldekken zijn roodpurper. De grote slagpennen zijn zwart met een smalle witte omzoming op de buitenvaan. De staartpennen zijn zwart. De dekveren van de bovenstaart donker purperbruin en de onderstaartveren zijn wit met smalle randen.

De snavel is rood met een geelachtige punt en de oogiris is purper met een blauwe buitenring, de oogrand is donkerrood. De poten zijn purperrood.

De duivin mist de purperbruine kleur op de mantel, de rug en de vleugeldekken.

De doffer meet ongeveer 28 – 34 cm en weegt 262 g.

De duivin meet ongeveer 28 – 32 cm en weegt 225 – 350 g

Verspreidingsgebied en systematiek:

Er wordt geen enkele ondersoort van deze duif vermeld.

Het is een prachtige afgetekende duif die men aantreft in de tropische gebieden van Midden- en Zuid-Amerika, het zuidelijk deel van Mexico tot Brazilië, Paraguay, Peru, Bolivië en het eiland Trinidad.

Het is een schuwe woudduif die men hoog in de toppen van de bomen moet gaan zoeken.

Ze leven daar vooral van de bessen, het fruit en ook de knoppen van de bomen. Ze vermijden om op de grond te komen.

Meestal leven ze paarsgewijze, soms treft men ze ook wel eens in kleine groepjes aan.

Het nest bevindt zich hoog in de bomen. De duivin legt één ei. De broedtijd bedraagt 16-17 dagen. De periode dat het jong in het nest blijft is ongeveer 21 dagen. (Wildtauben, H.-S. Raethel).

De roep (Wetmore) bestaat uit een “whoo-whoo-whoo-whoo”, waarvan de eerste en laatste strofe traag klinken en de middelste sneller.

Kweek in beschermd milieu:

In 1789 beschreef Gmelin reeds over het bestaan van deze duivensoort.

De eerste schubbenhalsduiven werden in Europa ingevoerd door de Londense zoo in 1886.

De eerste broedresultaten werden in 1961 behaald door prof Naether in Californië.

Bij deze fokker kwam een koppel na drie jaar tot nestelen in een hoog opgehangen broedkorfje.

De duiven gedroegen zich niet agressief tegenover soortgenoten of andere duiven.

Als voedsel kregen ze wat fijngesneden kaas, een graanmengeling, wat fruit of bessen.

Naether merkte op dat ze vooral de maïs zeer graag lustten. Na drie weken verliet het jong het nest en bezat reeds het volledig verenkleed.

Raethel vermeldt in zijn boek “Wildtauben” dat een doffer samen gehouden kan worden met twee duivinnen.

Nestcontrole wordt afgeraden door de schuwheid van de vogels.

De dieren moeten wel warm overwinterd worden.

Münst vermeldt in zijn boek “Tauben, die arten der wildtauben” dat in 1987 twee paar naar Duitsla nd geïmporteerd zijn doch van nafok wordt niets vermeld.

Verhoeven uit Mierlo (Nederland) heeft ook een lange periode een paartje in zijn bezit gehad doch van verdere kweek is niets geweten.

Het is een zeer prachtige duif, die zeer begeerd is door tal van liefhebbers. Hopelijk zal de toekomst ons toch nog in de mogelijkheid brengen om met deze duiven te kweken.

A.Cleynen

ciosa