Olijfduif C. arquatrix

Wet. : Columba arquatrix

  1. : Pigeon Arquatrix (Pigeon olive, Pigeon rameron)
  2. : Oliventaube
  3. : Olive-pigeon

Systematiek

De olijfduif behoort tot het genus ‘Columba’, welke we gewoonlijk omschrijven als ‘echte duiven’. Deze familie is dan ook de grootste van allen.

D. Goodwinn vermeldt in zijn boek ‘Pigeons and Doves of the world’ naast de Afrikaanse olijfduif (Columba arquatrix) nog enkele nauwe verwanten:

- Columba sjöstedti (Kameroen)

(Kameroen olijfduif)

- Columba thomensis ( Sao Thomé eilanden in de golf van Guinea)

(Säo Thomé olijfduif)

- Columba pollenii ( Comoro-eilanden)

(Comoro olijfduif)

- Columba hodgsonii ( De Himalaya van Kasmir tot West-India)

(Gevlekte woudduif)

- Columba albinucha ( Oostelijk gedeelte van Congo en westelijk Uganda)

(Witnekduif)

Verspreidingsgebied

Zuid- en Oost-Kaapland, Natal, het berggebied van Oost-Simbabwe tot Ethiopië, Shaba (Congo) en Centraal- en Zuid-Angola.

Deze rustige duif bewoont vooral beboste bergstreken tot een hoogte van 400 tot 3200 meter, meestal boven de 1400 meter. Ze verblijven vooral in de dicht bebladerde boomkruinen. Het zijn eigenlijk geen graaneters want ze voeden zich vooral met bessen en boomvruchten. Dit is dan ook de reden dat ze weinig op de grond zullen vertoeven. Hun voorkeur gaat uit naar wilde olijven, allerlei vruchten,kastanjes en in Oost-Afrika eten ze vooral wilde vijgen en bessen van Podocarpus. Regelmatig doen ze zich ook te goed aan insecten en hun larven. Ze leggen soms zeer grote afstanden af op zoek naar hun voedsel. Dat kan afhangen van de jaargetijden die sommige voedingsbronnen wegneemt, zodat de duiven naar andere plaatsen moeten vliegen om daar qua voeding aan hun trekken te komen.

Beschrijving

De olijfduif heeft de grootte van een gewone veldduif. De voorkop, de schedel en de wangen zijn donker wijnrood; de keel, de hals en het overige gedeelte van de kop zijn bleker, meer lila gekleurd. De achterkop en de nek zijn parelgrijs.

Het gevederte van de rug en de halszijde is lancetvormig. Het voorste gedeelte van de hals en de zijkant van de hals zijn grijsachtig wijnrood met een donkere middenvlek. De bovenzijde van de rug, de schouders en het binnenste gedeelte van de vleugeldekken zijn purperkastanjebruin om alzo over te gaan in een loodachtige kleur naar het overige gedeelte van de vleugel. Zwarte slagpennen met een wat blauwe tint in. De staart is zwart. De borst en de buik zijn witgevlekt op een wijnrode ondergrond.

De onderstaart is lichtgrijs met witachtige omzoming. De snavel, de oogring en de loopbenen zijn zwavelgeel. De oogiris is grijs.

Uitgenomen op de bovenborst, de mantel, de hals en de kop is het gevederte rijk voorzien van witte puntige aftekeningen.

De duivin is gewoonlijk wat smaller van bouw; de achterkop is ook minder grijsachtig. Op de voorzijde van de borst is de afboording naar de buik toe minder opvallend en de witte druppeltekening loopt meer wirwar door.

De juveniele-vorm is bleker en de witte vlekken zijn veel vager en minder duidelijk zichtbaar.

De grootte van de duif varieert tussen 38 en 41 cm.

Het gewicht van de doffer bedraagt 269-429 g en de duivin 288-425 g.

Balts en roep

De roep van de duif is een diep brommend geluid dat klinkt als: ‘kuu-kuu, kruu-kruu,kruu-kruu, kruu-kruu’. De eerste twee tonen zijn het luidst om alzo uit te sterven naar de laatste toon.

Bij de balts heft de doffer de hals omhoog om daarna een diepe buiging te maken voor de duivin. Door deze beweging meerdere keren na elkaar uit te voeren, gaat hij ook steeds dichter naar de duivin toen. De staart blijft hierbij onbeweeglijk.

Levenswijze en kweek

Temminck beschreef de olijfduif reeds in 1809. Ze werd voor het eerst ingevoerd in 1864 in de Londense zoo, waar ook de eerste kweekresultaten plaatsvonden in het jaar 1912.

Ook in de Berlijnse zoo werden er broedresultaten bekomen in 1913.

Begin jaren ’90 zijn er terug enkele olijfduiven bij een handelaar ingevoerd in België.

Het is een zeer rustige vogel in de volière en zeker niet twistziek met andere soorten.

Indien de volière groot genoeg is kan men ze met meerdere koppels samen houden.

Ze maken een zeer eenvoudig nest en het is daarom ook aangeraden enkele nestkastjes hoog in de volière te hangen, of een broedkorf in een struik liefst in een overdekt gedeelte van de leefruimte.

Ze leggen slechts één ei per legsel en broeden afwisselend 18-19 dagen. De doffer broedt overdag, de duivin van ongeveer 18 uur ’s avonds tot ongeveer 10 uur ’s morgens.

Het jong blijft ongeveer een maand in het nest. Het zijn luie duiven die weinig doen om zelfstandig te worden. De jonge olijfduiven bedelen weinig of niet om eten en het zijn de ouders die het jong moeten activeren om te eten. Dat is dan ook de reden dat er nog al eens jonge olijfduiven sneuvelen wanneer ze groot gebracht worden door pleegouders (lachduifjes)

Het voedsel bestaat uit een goede graanmengeling aangevuld met een eiwitkorrel. De graanmengeling bestaat liefst uit een kleine hoeveelheid popcornmaïs, rode en witte darri, cardy, tarwe, boekweit, kempzaad, zonnepitten, kleine erwtensoorten en vitsen.

Proper water en grit mogen zeker niet ontbreken in de volière.

De olijfduiven zijn winterhard, maar een droog en tochtvrij hok is zeker aan te raden. Vooral de koude wind is voor deze vogels soms een grote spelbreker.

De ringmaat bedraagt 9 mm.

De olijfduif is een waardevolle duif , prachtig van kleur, rustig van aard, maar die zich het best thuis voelt in een grote, beplante volière.

A. Cleynen

Kweekervaringen met de olijfduif

Begin jaren ’80 schafte ik mijn eerste koppel olijfduiven aan, daar ging ik toch van uit. De verschillen tussen doffer en duivin waren goed zichtbaar: de doffer was grijzer op de kop en de witte druppeltekening was ook veelvuldiger aanwezig. Ik plaatste ze in een volière met volgende afmetingen: het binnenhok was 4m bij 3m en de buitenvolière was 4m bij 6m. Het binnenhok was goed geïsoleerd. De bodem bestond uit een dikke laag beton en als bodembedekking gebruikte ik dennennaalden van de grove den. Er waren zitstokken van verschillende dikte aangebracht. Ook werden er meerdere nestkastjes van verschillende grootte opgehangen, het ene al wat hoger dan het andere. In dit binnenhok werden dan ook het voedsel en het drinkwater op een goed zichtbare plaats opgesteld. De buitenren was goed beplant met coniferen, vlierbes en kleine heidestruiken. Hier en daar werd ook een verhoogje met enkele stenen gemaakt. Ook hier werden nog enkele zitstokken aangebracht.

In deze gemeenschapsvolière zaten ook nog een paartje wongaduiven, groenvleugelduiven, Nepalduiven, rode Birmatortel, grote bronsvleugel en diamantduifjes.

Gedurende de zomermaanden was er veel activiteit van de verschillende duiven waar te nemen. Ook de olijfduiven hadden een nestkastje uitgekozen en er werd wat materiaal aangevoerd. Later zag ik dat er steeds één van de duiven op het nest bleef zitten. Dus er moest wel een eitje gelegd zijn. Na vijf dagen durfde ik het dan toch aan om even in het nest te kijken, maar groot was echter mijn verbazing: er lagen twee eitjes in het nest. Hieruit kon ik natuurlijk besluiten dat ik twee duivinnen in bezit had. Dat was dan ook de reden dat ik nooit baltsrituelen gezien had. Nu zoeken naar een doffer! Ik kreeg contact met een paar Nederlandse kwekers Ad Van Zon en Piet Wilborst. Zij hadden twee doffers en waren bereid om eventueel te ruilen. Dit geschiedde dan ook en twee maanden later werd dan ook het eerste jong geboren uit dit nieuwe koppel. Het volgende jaar heb ik dan drie jongen gekweekt.

In die periode hoorde ik ook vele liefhebbers klagen over onbevruchte eitjes met hun dieren. Inteelt was hier zeker aan de orde en we ondervonden dan ook dat het bestand van onze olijfduiven sterk aan het verminderen was.

In de beginjaren negentig kwam echter de oplossing: er waren een dertigtal olijfduiven ingevoerd vanuit Afrika. Onmiddellijk toonde verschillende liefhebbers hier belangstelling voor. Ik koos mij ook op het zicht twee paartjes uit. De vier dieren die ik uit het lot koos waren nog niet op kleur, dus het waren jonge dieren.

De duiven zaten er wat verfomfaaid bij en de pluimen waren dof van kleur. Van de handelaar kregen we te horen dat het enige voedsel dat de dieren tot zo ver kregen alleen maar gekookte rijst was. Wat mij ook dadelijk opviel was dat deze ingevoerde duiven kleiner van type waren dan die we eerder in onze volières hadden. Voeding en verzorging zal hiervoor zeker de reden zijn. Thuis plaatste ik de vogels in een kleine binnenvolière en gaf hun ook rijst te eten. Hierover strooide ik wat vitamines om de diertjes toch wat te versterken. Na een week begon ik stilaan wat graanvoeding tussen de rijst te mengen en na drie weken stonden de vogels op een volledig graanmenu.

Een maand later plaatste ik ze per koppel apart in een volière. Deze volière was 4m lang en 1,2m breed met daaraan een binnenhok van 2,5m op 1,2m. De vogels zaten intussen al mooi in het gevederte en er was duidelijk verschil tussen doffer en duivin. De doffers begonnen stilaan te pronken. In het najaar begonnen beide koppels ongeveer gelijktijdig te broeden. Elk koppel legde één eitje in een nestkistje. De vogels waren rustig van aard en lieten voorbeeldig nestcontrole toe. Beide eitjes waren bevrucht. Na 19 dagen zag ik één van de doffers met een lege eidop van het nest vliegen. Besluit: een jong olijfduifje was geboren. Drie dagen later had ook het tweede koppel een jong. Beide ouders brachten zeer goed het jong groot. Na acht dagen heb ik ze geringd met een ring van 9 mm.

Wat me wel opviel was dat de ouders na een paar dagen reeds uren van het nest bleven. Ik ging dan ook meerdere keren voelen of het jong nog wel warm was. Alles was steeds oké. Wanneer ik vroeger het eitje onderlag bij lachduifjes was het vaak zo dat wanneer het jong ongeveer 10 dagen oud was en de ouders wat te lang van het nest bleven het jong dadelijk koud aanvoelde en soms op die manier verloren gingen. Zou dit dan toch met de papvoeding van de ouderdieren te maken hebben. Later heb ik ook het volgende vastgesteld: de olijfduif legt een eitje, dit wordt afgeraapt en onder een stel lachduifjes gelegd. Na 10 dagen legt deze olijfduif terug een ei , maar deze keer laat ik ze zelf broeden. Het tweede jong dat door de olijfduiven grootgebracht wordt en eigenlijk 10 dagen jonger is als zijn broer of zus groeit veel sneller op en is ook veel vlugger zelfstandig.

Maar nu terug naar onze eerste kweek met de ingevoerde olijfduiven. De twee jongen groeiden prima op en waren na een maand volledig zelfstandig. Ik heb dan wel de jongen uit de volière gevangen daar de doffer wat te ijverig achter hen aan zat en ik geen enkel risico wilde lopen. Dat jaar hebben ze nog voor een tweede keer met succes jongen grootgebracht.

Ik had wat mijn twijfels hoe ze de winter zonder bijverwarming zouden doorkrijgen, maar alles verliep zeer goed. Het zijn zeer geharde vogels die onze winters zonder verwarming goed doorstaan.

Het volgende jaar heb ik dan een jonge doffer gepaard aan een vroegere duivin van mij waar ik steeds onbevruchte eitjes mee had. Deze duivin had in het verleden reeds drie verschillende doffers als partner gekregen, maar steeds zonder resultaat. Met deze jonge doffer lukte het echter wel. Ik kon nu dus alle kanten op om een mooie stam op te bouwen.

Mijn volgende project met de olijfduiven was om een kolonie samen te brengen in één volière.

Ik had pas een zeer grote volière gebouwd die als gemeenschapsvolière zou gebruikt worden. Het binnenhok is 3m bij 7m en de aansluitende buitenvolière is in L-vorm en meet 20m bij 6m en 2m bij 15m.

In deze volière zaten al volgende duivensoorten: twee paar vlekkenduiven, een paar wongaduiven, een paar Australische kuifduif, een paar Oosterse tortels, twee paartjes groenvleugelduifjes, meerdere koppels diamantduifjes en zebraduifjes. Soms plaatste ik er ook nog wel eens een enkeling bij van een andere soort. Hierbij plaatste ik dan vijf paar olijfduiven.

De volière was zeer dicht begroeid met hogere struiken en coniferen. Ook groeide over de volière twee druivenstruiken. Dit vooral om de dieren wat meer bescherming te geven tegen de stootaanvallen van de sperwers.

Alles verliep zeer goed in deze volière en de verschillende duivensoorten hadden regelmatig jongen. Eén groot probleem was soms het vinden van de nestjes van de diamant- en zebraduifjes. Deze kunnen hun nestjes zeer goed verstoppen tussen het dichte groen.

Ook de olijfduiven kwamen prachtig tot hun recht in deze volière. Sommige kozen een nestkastje maar twee paartjes bouwden hun nest in een conifeerstruik. Deze nestjes bestonden slechts uit enkele slordige bij elkaar geplaatste takjes. Ik heb nooit deze nestjes moeten verstevigen. Alle jongen groeiden voortreffelijk op.

Het grote probleem in zo een dichtbeplante volière is echter het uitvangen van jonge vogels.

Dit vraagt wel wat handigheid met het schepnet.

Een ander nadeel is dat men jaarlijks een goede snoeibeurt tussen de planten moet houden. Ik moet wel zeggen dat de duiven hier steeds zeer rustig bij bleven. Ze waren gewoon dat ik dagelijks meerdere keren door deze volière wandelde.

Het was echt een pracht om al deze duiven te zien pronken in een eigenlijk natuurlijk biotoop.

Tot vorig jaar verliep alles goed. Bij de laatste snoeibeurt echter moest ik wat takken verwijderen die door het gaas gegroeid waren . Een week later ging ik ’s morgens een kijkje nemen bij de dieren. In de grote volière was echter geen beweging te zien. Toen zag ik wat er gebeurd was. Er was een indringer in de volière geweest en alle duiven lagen dood op de grond. Het was een afschuwelijk zicht. Na een wat grondigere inspectie zag ik de dader nog in de volière zitten: een marter. Zevenentwintig duiven had hij in één nacht op een bloeddorstige manier dood gemaakt. Slechts twee paartjes zebraduifjes bleven er over. Dit was een zeer zware opdoffer voor mij daar het allemaal kweekparen waren die op zo’n gruwelijke manier verloren zijn gegaan.

Later heb ik vastgesteld dat bij het doortrekken van een gesnoeide tak de draad wat stuk getrokken was. Door een heel klein gaatje is deze wrede killer binnengeraakt.

Tot op heden staat deze volière nog steeds leeg. Het zal wel even moeten bezinken zeker.

A. Cleynen

koppel olijfduiven