De NepalduifNepalduif

Tekst en foto’s: A. Cleynen

Wet.: Columba pulchricollis

E.: Ashy Woodpigeon

D.: Himalayataube

F.: Pigeon cendré

Systematiek en verspreidingsgebied ( verspreidingskaartje blz.119 Handbook of the birds of the world, volume 4)

De Nepalduif behoort tot de grote groep van de echte duiven, ondergebracht onder het genus

Columba. Er worden geen ondersoorten vermeld.

Tot de naaste verwanten worden de volgende soorten gerekend: de Nilgiriduif (Columba elphinistonii) en de Ceylonduif (Columba torringtoni)

De Nepalduif komt voor in Tibet, Nepal, Sikkim, Bhutan, Bangladesh, Myanmar (Birma), Thailand, Yunnan (China) en Taiwan.

Het is een bomenbewonende soort die de voorkeur geeft aan gemengde en groenblijvende bossen bestaande uit coniferen, eiken, hazelaars en rododendrons. Ze verblijven meestal op een hoogte van 1200-1300 m; in Bangladesh zijn ze ook waargenomen op een hoogte van slechts 100-150 m.

Beschrijving

Iets kleiner dan een postduif. De grootte varieert van 31 tot 36 cm en het gewicht bedraagt rond 330 g. Ze is tamelijk slank en elegant gebouwd. De kop is blauwgrijs overgaand naar een bleke keel. De brede nekband is in rust buffkleurig; deze bestaat echter uit zwarte veertjes met een buffkleurige punt. Dit geeft een gevlekt patroon als de nek wordt gestrekt. De rest van de nek, alsook de mantel en het bovenste gedeelte van de romp is donker blauwgrijs. De romp wordt lichter van kleur naarmate deze de buikstreek nadert en zelfs grijsachtig tot bijna wit naar de onderstaart toe. De vleugel- en staartpennen zijn bijna zwart.

De oogiris is geelachtig en de oogring is grijs. De bek is blauwgroen tot groen naar de punt toe. De poten zijn roze tot rood.

De duivin is gewoonlijk wat donkerder gekleurd op de kop en ook de borst is meer bruinachtig. Doch de verschillen zijn soms zo miniem dat om zeker te zijn een DNA-onderzoek naar het geslacht zeker aan te raden is.

De jonge duiven zijn veel doffer gekleurd en de mooie geelachtige nekband is nog niet duidelijk zichtbaar.

Gedrag

In hun oorspronkelijke biotoop zoeken de Nepalduiven hun voedsel vooral in de boomkruinen.

Dit bestaat hoofdzakelijk uit vruchten, soms ook zaden (vooral de zaden van de esdoorn). Ze bezoeken ook wel eens de meer open cultuurgronden en zoeken dan naar granen en insecten (vooral slakken). Het voedsel zoeken gebeurt meestal alleen of paarsgewijs, soms bij goede voedselbronnen echter wel met 10-30 duiven tegelijk.

Deze duiven leven in de vrije natuur erg teruggetrokken en zijn daardoor moeilijk te observeren. Ze zitten meestal stil boven in de boomkruinen waardoor ze door het dichte bladerdek aan het gezicht worden onttrokken. Worden ze echter gestoord, dan zijn het snelle, doch geluidloze vliegers.

Het broedseizoen loopt van mei tot augustus. Het nest is het gebruikelijke, doorzichtige duivennest dat meestal laag in een boom wordt gemaakt. Hierin wordt één ei gelegd.

De doffer en duivin wisselen elkaar af met het broeden en na 18 dagen wordt het jong geboren. Het jong verlaat het nest na ongeveer 23 dagen.

Bij de balts maakt de doffer een pompende beweging met de romp en uit hierbij een grommend, gorgelend geluid. De balts gebeurt steeds op een tak. De duivin zal al vlug bereidheid tonen door de snavel steeds in de nekveren van de doffer te steken. Daarna zal de duivin wat doorbuigen en de doffer zal overgaan tot de paring.

De roep van de Nepalduif is een diep ‘coo’ geluid.

De Nepalduif is in zijn totale verspreidingsgebied niet bedreigd, hoewel hierover door zijn teruggetrokken levenswijze en de ontoegankelijkheid van dit gebied, niet veel bekend is. In Thailand wordt hij echter bedreigd door ontbossing.

Kweek in beschermd milieu

De Nepalduif werd voor het eerst beschreven in 1846 door Blyth in Nepal.

Ze werd voor het eerst in 1984 in België ingevoerd. Het gelukt dan ook de heer Sluyts om de eerste kweekresultaten te behalen. Ze zaten met verschillende koppels samen in een heel grote dichtbegroeide volière. Doch na zijn overlijden werd deze mooie stam duiven verspreid onder verschillende liefhebbers. Ook in Duitsland lukte de kweek in 1985 door W. Braun uit Hamburg, een jaar later kweekte ook Vrielink uit Deventer met deze duivensoort.

De kweek verliep in de aanvangsjaren zeer vlot.

De duif wordt liefst ondergebracht in een tamelijk grote volière. Het zijn vooral vliegduiven en wanneer ze te klein gehuisvest worden, missen ze de nodige bewegingsruimte en gaan al vlug te vet worden. De duiven zullen er dan ook lusteloos bijzitten en zullen zeker geen zin hebben tot paren.

Het is een kalme duif en niet al te agressief zodat men ze gemakkelijk in een gemeenschappelijke volière samen met nog andere duivensoorten kan onderbrengen.

Als broedgelegenheid nemen ze zowat alles in gebruik: platte open kistjes, half verscholen platjes of mandjes.

Ze brengen nogal wat nestmateriaal naar het nest ( tabaksstelen, berkentakjes, naalden van de grove den).

Het broeden gaat in het algemeen zeer goed en het is dan ook aan te raden om natuurkweek te doen.

De duiven leggen slechts één ei dat 17-18 dagen wordt bebroed.

Het zijn goede ouders en na ongeveer 23 dagen verlaat het jong het nest.

De voeding bestaat uit een goede samenstelling voor sierduiven of tortels, aangevuld met P-40 eiwitkorrel. Ze eten ook graag wat bessen en meelwormen.

Na 7 dagen wordt het jong reeds geringd met een 7 mm ring. Wacht niet te lang, want de poot van een Nepalduif verdikt zeer vlug en dan kan men de ring niet meer over de poot krijgen.

De duiven zijn winterhard, doch hebben gedurende de gure dagen toch graag wat beschutting zodat ze uit de wind zitten.

De laatste jaren gaat het wat minder met de kweek met deze wondermooie duif. De vraag is dan ook erg toegenomen. Het zou echter wenselijk zijn dat enkele liefhebbers samen zouden werken om het bestand van deze duivensoort terug in orde te brengen.

De Nepalduif is een prachtige duif die zeker aan te raden is aan een liefhebber die over een wat ruimere volière beschikt.