witkop Cubaduif doffer

E.: White-crowned Pigeon

F.: Pigeon à calotte blanche

D. : Diademtaube

Systematiek en verspreidingsgebied

De witkopcubaduif behoort tot het geslacht ‘Columba’, een zeer grote groep welke men soms ook wel eens de ‘echte’ of veldduiven noemt. Deze groep kan men indelen in de groep die tot de oude wereld behoren (zoals ook onze houtduif, holenduif en rotsduif) en de groep die tot de nieuwe wereld behoren (deze die voorkomen op het Amerikaanse continent).

Het zijn duiven die we vooral aantreffen op de eilanden van het Caribische gebied. Ze komen voor op het uiterste zuiden van Florida en de Bahama-eilanden, via de Grote- en Kleine Antillen tot Antigua en de eilanden langs de kust van Yucatan en Panama.

Ze worden ook vaak beschreven als trekduiven.De populaties die voorkomen op Florida trekken vaak naar de Bahama’s, terwijl deze van de kusten van Centraal-Amerika richting Panama trekken.

Ook op zoek naar voedsel trekken ze soms zeer ver weg en moeten daarbij soms grote afstanden over het water overbruggen. Ze moeten die grote tochten maken, omdat ze niet overnachten noch nestelen op de grote eilanden, maar op kleine eilandjes in ondiepe baaien.

Ze kunnen deze slaapplaatsen soms voor meer dan negen uur verlaten. Ze vertrekken ’s morgens vroeg en leggen zeer lange afstanden af op zoek naar vruchtendragende bomen. Hier zoeken ze dan hun voedsel en ze keren pas laat in de namiddag terug.

De broedperiode is gespreid over 4 tot 5 maanden. Ze nestelen bij voorkeur in de grote mangrovebomen. Ze zijn zeer schuw van aard en dan ook vlug gestoord in hun broedgedrag.

In hun habitat zijn het echte koloniebroeders, soms zelfs met meerdere nesten in één boom.(400 paren op Crawl Cay, waargenomen door Petzl in 1969)

Op Florida beginnen ze met nestvorming vanaf maart om in april hun eerste legsel te hebben.

Een normaal legsel bestaat uit twee eieren. Hun tweede broedsel hebben ze dan aanvang juli.

De doffer broedt overdag, de duivin ’s nachts. De broedduur bedraagt ongeveer 17 dagen.

De jongen blijven ongeveer drie weken in het nest en worden later nog een tweetal weken door de ouders gevoederd.

In het najaar vormen ze zwermen van ongeveer 300 paren.

Beschrijving

Het zijn duiven die ongeveer de grootte hebben van een stadsduif. Zeer opvallend aan deze duif is het vlakke voorhoofd.

Het zijn zeer slanke duiven met een tamelijk lange staart. De hoofdkleur is donkergrijs. Ze hebben een volledig witte kopkap die tot aan het oog reikt en daarachter een roodbruine vlek. De nekveren zijn metaalglanzend en die door de zwarte afzoming een schubbentekening vormen. De snavel is donkerrood met een blekere eindspits. De oogiris en de oogrand zijn wit.

De poten zijn rood.

De geslachten zijn duidelijk te onderscheiden. De duivin is matter van kleur en ze hebben een grijze kopkap.

De jongen zijn als de duivin gekleurd en zullen hun geslachtelijk onderscheid pas duidelijk laten zien na de eerste rui.

Enkele cijfers:

Lengte van de duif: doffer: van 325 mm tot 410 mm

duivin: van 340 mm tot 390 mm

Vleugels: van 205 tot 220 mm

Staart: van 138 mm tot 142 mm

Snavel: 16 tot 17 mm

Gewicht: 250 g tot 326 g

Balts

Het baltsgedrag gebeurt steeds op een tak van een boom.

De doffer gaat in front van de duivin staan en voert enkele pompbewegingen uit met een opgeblazen krop en wat hangende, sidderende vleugels.

De baltsvlucht bestaat uit een omhoogvliegend vlucht met luid klappende vleugels om daarna met een traag glijdende vlucht naar benden te komen tot op een favoriete tak.

De roep bestaat uit een veelvuldig achter elkaar herhalend ‘whooo-ca-cooo’.

Goodwin beschrijft ook een ‘coo-crooo’ geluid, maar dit is de lokroep op het nest.

Levenswijze in beschermd milieu

Linnaeus beschreef al in 1758 deze soort.

Deze duif werd voor het eerst ingevoerd in 1836 in de Amsterdamse zoo. Een dertigtal jaren later werd deze duivensoort terug ingevoerd in de Londense zoo waar men ook de eerste broedresultaten heeft bekomen.

Deze duif werd vroeger vaak bij de liefhebbers aangetroffen. Vandaag echter komt ze vrij zelden nog voor.

De reden mag men zeker zoeken in hun vrij agressieve gedrag alsook hun schuwheid in de volière. Meermaals is het voorgekomen dat een doffer de schedel van de duivin bewerkt. Sommige boeken geven aan dat men beter aan koloniebroed doet, zoals in de zoo van Havanna op Cuba waar minstens 25 broedparen samen in één grote volière worden gehouden. Spijtig genoeg wordt niet verteld hoe groot dat deze volière is.

Het legsel bestaat uit twee eieren en de broedtijd bedraagt 17 dagen.

Het zijn duiven die een vrij grote volière nodig hebben die goed beplant moet zijn en waarin een duistere hoek dient aanwezig te zijn waar ze ongestoord kunnen broeden.

In de winter verdragen ze wel wat koude, doch het is wenselijk dat ze over een volledig dicht binnenhok kunnen beschikken. Gedurende normale winters hoeft men niet bij te verwarmen.

De voeding bestaat uit een goede graanmengeling van veel kleinere soorten granen, aangevuld met een eiwitkorrel (P40) en eventueel wat kleine bessen.

Het zijn prachtige duiven die zeker niet uit onze volières zouden mogen verdwijnen.

Ringmaat bedraagt 7 mm.

  1. Cleynen

Geraadpleegde werken:

Wilde duiven van de wereld (W. Lombary)

Wildtauben (H.-S. Raethel)

Pigeons and doves (D. Gibbs)

Hanbook of the birds of the world, volume 4 (J. del Hoyo, A. Elliott, J. Sargatel)

Pigeons and doves of the world (D. Goodwin)

Kweekervaringen met de witkopcubaduif (A.Cleynen)

Ongeveer 15 jaar geleden kwam ik in het bezit van een doffer van de witkopcubaduif.

Dan ben ik meteen op zoek gegaan naar een duivin, doch dit lukte niet zo goed. Vele telefoontjes naar bevriende fokkers, maar geen resultaat. Ik besefte dan ook dat het niet makkelijk zou zijn om een mooi koppeltje samen te stellen.

Bij een diavoorstelling tijdens één van de redactievergaderingen van Aviornis toonde ik verschillende duivensoorten om een mooie foto te vinden voor de kaft. Hierbij zat er ook een afbeelding van de witkopcubaduif. Toen ik deze foto toonde, zei Willy Ramakers, een ander redactielid, dat hij ook zo een duif zitten had, maar met een veel grijzere kop. Ik wist meteen dat het hier om een duivin zou gaan. Al vlug verhuisde deze duif naar België en het was wel duidelijk een duivin.

Ik bracht de twee duiven samen in een nieuwe volière, samen met nog twee andere soorten duiven zoals het senagaltorteltje en het diamantduifje. Het binnenhok meet 3m op 3m met daar aansluitend een buitenvolière van 2m op 3m. Het binnenhok was tamelijk duister. Ik had al meer ervaring dat nogal donker gekleurde duiven graag in duistere volières vertoeven. De buitenren was rijkelijk beplant. In het binnenhok werden meerdere nestkistjes van allerlei vormen opgehangen die dan ook wat gecamoufleerd werden door dennentakken.

Als voeding kregen ze een goede graanmengeling, aangevuld door wat eiwitkorrel (P40) en dagelijks gaf ik ze ook wat meelwormen en enkele bessen.

De eerste paar dagen gebeurde er niets in de volière; alles bleef zeer rustig.

Ongeveer na een week kwam er meer actie: de doffer begon te roepen en ik zag ook dat hij steeds naar een nestkistje vloog en er ongeduldig heen en weer zat in te draaien. De duivin vertoonde ook belangstellingen al vlug zag ik ook de duivin toenadering zoeken naar de doffer die dapper zijn best deed in het nestkistje. Alles klikte. Nu begon de doffer wel wat heviger te worden en begon zijn duivin te achtervolgen. Het vrouwtje moest regelmatig proberen uit het oog te raken van de veel te agressieve doffer. Was de verliefdheid reeds over?

Na enkele dagen was de duivin weer wat bekomen van dit opstandelijk gedoe en gaf zich terug over aan de amoureuse toenaderingen van de doffer. De doffer pronkte geregeld. Hij probeerde steeds voor de duivin te geraken en maakte meerdere pompende bewegingen voor de duivin en sidderde op het zelfde moment met loshangende vleugels. De duivin ging gretig in op dit bombastisch gedoe en snavelde haar kompaan, liet zich wat door de poten zakken en de doffer aarzelde niet en ging prompt over tot de paring.

Inmiddels had ik ook wat berkentakjes in de volière geworpen en de nestbouw begon. De duivin zat in de nestkist en de doffer bracht enkele takjes aan. Na 10 dagen bleef de duivin langer op het nest zitten dan normaal. Hopelijk was er een ei gelegd. Ik durfde echter de duiven niet te storen, daar ik in meerdere boeken gelezen had dat ze in het geheel niet hielden van neststoringen. De doffer broedde overdag en de duivin tijdens de nacht. Na een week waren de duiven toch even van het nest af en kon ik vlug een nestcontrole doen. Er legen twee eitjes in het nest en aan de kleur van de schaal kon ik merken dat ze beide bevrucht waren.

Na 17 dagen zag ik de doffer een lege eidop in de snavel en ongeduldig wegvliegen om deze dop ergens ver van het nest te deponeren. Ik kon dus zeker zijn dat er een jong geboren was.

Na 8 dagen ben ik dan het nest gaan controleren en er lag één jong in. Het was heel donker gekleurd. Het ander ei lag er nog naast. Ik heb het jong dan geringd met een ring van 7 mm. Het andere ei heb ik weggenomen en opengemaakt. Het jong was volledig volgroeid doch afgestorven.

De duiven werden ook wat agressiever tegenover de andere medebewoners en een pas uitgevlogen jong senegaltorteltje werd prompt afgemaakt omdat het te kort bij het nest kwam van de witkopcubaduiven.

Het jong van de witkopcubaduiven groeide zonder moeilijkheden op. Na drie weken zat het op de rand van het nestkistje en was al goed ingepluimd. Een paar dagen later durfde het reeds tot op een nabijgelegen tak vliegen. Het werd nog veertien dagen verder gevoederd door de ouders. De doffer voelde echter terug de kriebels en achtervolgde terug de duivin. Deze keer echter veel agressiever dan de vorige keer. Was de duivin nog niet klaar of was ze nog wat verzwakt door het broeden en het voederen van het jong? Maar het ongelukkige gebeurde en de duivin werd zo toegetakeld door de doffer dat er geen redden meer aan was. Ik had misschien beter moeten weten en sneller moeten ingrijpen om de doffer een periode op een andere plaats te zetten. Ik heb dan voor alle zekerheid de doffer uit de volière gehaald en apart gezet. Op deze manier kon het jong verder opgroeien.

Doch naargelang het jong verder opgroeide en meer op kleur kwam, merkte ik dat het ook een doffer zou zijn. Resultaat: ik zat weer vast en moest opnieuw op zoek naar duivinnen.

Enkele jaren gingen voorbij toen ik plots terug witkopcubaduiven zag zitten bij Alex Vanvooren. Hij had ze via een handelaar uit Duitsland laten overkomen. Hij bezat twee koppels. Ik maakte een afspraak om eventueel jongen over te nemen. Het eerste jaar lukte het ook niet bijzonder bij Alex en moest ik weer een jaartje geduld hebben.

Het volgende jaar had hij vier jongen groot gekregen. Deze vier jongen verhuisden dan

naar de volières in Tienen. Het bleken later drie duivinnen en een doffer te zijn. Mijn oude doffer was inmiddels wel overleden, maar mijn eerste kweekdoffer leefde nog. Ik kon dus starten met twee koppels. Ik had deze dan in een grote gemeenschappelijke volière samengebracht met nog andere soorten duiven. Ik had namelijk in de litteratuur gelezen dat witkopcubaduiven koloniebroeders zijn. De volière had voldoende afmetingen: het binnenhok was 3m op 6 m en de buitenren 4m op 14m. De volière was ook rijkelijk beplant. In deze volière verbleven nog verschillende andere duivensoorten: de bronsvleugelduif, de alablancaduif, de nepalduif, de koekoeksduif, de wongaduif, de senegaltortel, de groenvleugelduif en meerdere paartjes diamantduifjes.

Aanvankelijk ging alles zeer goed, doch na een maand moest ik één paar witkopduiven er uit halen. Ze werden te agressief tegenover elkaar en nam dan maar het zekere voor het onzekere.

Mijn oudere doffer maakte het hof met zijn nieuwe duivin. Hier ging alles goed en er werden dat jaar drie jongen geboren. Het andere koppel had ik in een andere volière samengezet. Hier gebeurde er niets. De doffer pronkte niet en de duiven moesten niets van elkaar hebben. Ze verbleven het hele jaar in dezelfde volière zonder ook maar één toenadering te zoeken.

Ik heb dan een jonge doffer uit de jongen gekozen om alzo een derde koppel te kunnen opstarten.

Dit jaar ben ik dan gestart met drie koppels. Ik heb deze drie koppels dan naast elkaar gebracht in aparte volières. Deze volières hebben volgende afmetingen: binnenhok meet 3m bij 1,2m en de buitenren meet 4m bij 1,2m. De buitenren is weer goed beplant.

Het koppel dat het vorig jaar jongen gegeven heeft, is ook dit jaar weer goed op dreef gekomen.(echter zeer laat op het seizoen, namelijk pas in juni). Bij de twee andere koppels is er ook activiteit geweest. De twee koppels hebben allebei meerdere keren gelegd, doch willen nooit langer broeden dan een viertal dagen. Daar ik voorstander ben om geen lachduifjes als voedsterduiven te gebruiken, moet ik wat meer geduld opbrengen. Misschien later op het seizoen, wanneer de doffer wat minder driftig is, lukt het misschien wel.

Ik heb ook opgemerkt dat de duiven zeer graag volledig achter een plank verscholen willen broeden. Het nestkorfje dat ik ter beschikking plaats voor deze duiven is minstens 15cm diep zodat je de broedende duif niet kan zien zitten. Het zijn zeer gevoelige duiven voor neststoring.

Ik heb de duiven steeds zonder bijverwarming overwinterd. Ze beschikken wel over een volledig dicht binnenhok, maar kunnen gedurende de winter steeds in de buitenren vliegen.

Het zijn prachtige duiven, die toch wat schuw zijn en waaraan je toch de nodige voorzorgsmaatregelen moet in acht nemen vooral dan wat de agressiviteit aangaat.

Het zijn duiven voor een gevorderd liefhebber die het nodige geduld kan opbrengen.

A. Cleynen