Grote Picazuroduif C. p. picazur

Frans: Pigeon Picazuro

Engels: Picazuro pigeon

Duits: Picazurotaube

Systematiek en verspreidingsgebied

Ondersoorten: Naast de nominaatvorm komt er nog één ondersoort voor.

Columba picazuro picazuro: (Temminck 1813) Oostelijk en zuidelijk deel van Brazilië van Piauf en Pernambuco westelijk van Mato Grosso en zuidelijk van Rio Grande do Sul, oosten en zuidoosten van Bolivia (Beni, SantaCruz, Tarija) en van het zuiden tot noordoosten van Argentinië.

Columba picazuro marginalis: (Naumburg 1932) Noordoostelijk deel van Brazilië (Piauf en Bahia, en wellicht ook Goias)

Deze twee ondersoorten zijn momenteel bij de liefhebbers aanwezig en gelijken ook zeer sterk op elkaar. We zullen dan ook trachten aan de hand van enkele foto’s de verschillen duidelijk te maken.

In liefhebberstaal spreekt men vaak over de grote picazuro voor de nominaatvorm (C. p. picazuro) en de kleine picazuro (C. p. marginalis)

In hun habitat is het een veelvuldig voorkomende, schuwe bosduif maar die er toch niet voor terugdeinst om ook in de tuinen van de voorsteden te nestelen. In het najaar verzamelen ze zich in grote zwermen. In Brazilië zijn er zwermen van 200 stuks waargenomen. Studies aan de hand van geringde vogels door een instituut van Poconé hebben aangetoond dat deze duiven soms al zwermend zeer lange afstanden afleggen.

Hun voedsel bestaat uit verschillende soorten zaden die ze op de grond zoeken. Ook insecten verorberen ze graag.

Nestelen doen ze het liefst hoog in de bomen. Het legsel bestaat steeds uit één ei.

Beschrijving

C. p. picazuro: Wat groter dan een stadsduif (grootte tussen 35 en 37 cm, met een gewicht van ongeveer 400 g)

De kop, de hals, de nek en de bovenborst zijn mat wijnrood. Naar de onderborst en de buik toe verbleekt deze kleur. De flanken en de staartdekveren zijn donker blauwgrijs.

De onderhals en vooral de nek vertonen een brede ring, die bestaat uit schubbenachtige witte en grijze veren met een donkere zoom. Deze veertjes geven een mooie, glanzende reflectie in de zon. De rug, de zijkanten van de hals en de bovenmantelveren vertonen een schubbenachtige tekening. De slagpennen van de vleugels zijn grijs met donkere punten . De staartpennen zijn donker blauwgrijs met een zwarte eindband. De oogiris is bruinoranje. De snavel is grijsachtig. De poten zijn donkerrood.

De duivin is wat bleker en matter gekleurd. Het onderscheid is echter nooit met zekerheid te zeggen.

C. p. marginalis: Is iets kleiner dan de hiervoor beschreven ondersoort. De duif vertoont ook een blekere kleur, vooral op de romp en de bovenkant. Het meest opvallende verschil zijn de bredere, witte vleugelbogen. Bij de grote picazuroduif zijn deze witte vleugelbogen niet zichtbaar.

Balts

Bij het baltsen richt de doffer zich op en neer terwijl hij knikkende bewegingen maakt met de kop en de hals. De staart wordt lichtjes gespreid. Dan opent hij al buigend zijn vleugels en trilt hiermee tot een er een briesende klank ontstaat. Deze bewegingen herhaalt hij een paar keer vooraleer zijn duivin zich aan hem zal overgeven en hij de paringsdaad zal voltrekken.

Op de grond zal de doffer eerst de duivin achtervolgen om vervolgens plots op te vliegen en een paar keer luid te klappen met de vleugels om dan voor de duivin neer te strijken.

De doffer laat ook een mooie, luide en melodieuze roep horen.

Kweek in beschermd milieu

Temminck beschreef deze mooie duif al in 1813. De eerste import van deze duiven was in 1868 in de Londense zoo. Datzelfde jaar werden daar ook daar de eerste broedresultaten bekomen op Europese bodem.

Het is een grote, wat schuwe duif in de volière. Het is dan ook aan te raden om deze duiven onder te brengen in een wat ruimere en goed beplante volière. Ze zijn volkomen winterhard, maar toch is het wenselijk om ze gedurende de koudste nachten van de winter in het binnenhok op te sluiten.

De duivin legt één ei ( grootte: 40 x 27 mm). De broedtijd bedraagt 17-18 dagen en het jong verblijft ongeveer drie weken in het nest. Daarna wordt het nog verder gevoederd door de ouderdieren.

Ze slepen heel wat nestmateriaal aan, vooral twijgen van berkenbomen.

Gewoonlijk zijn het niet al te agressieve vogels, maar toch moet men soms wat opletten als ze met andere grotere soorten duiven in de volière gehouden worden.

Aanvang 2000 zijn er nog enkele grote picazuroduiven (C.p.picazuro) ingevoerd.

De voeding bestaat uit een goede graanmengeling voor wilde duiven aangevuld met een eiwitkorrel.

Het is een duif die wegens zijn schuwheid misschien wel vlug zou kunnen verdwijnen uit onze collecties. Dus zeker oppassen !!!

o

Picazuroduif: kweekervaring

Aanvang 2000 werden er nog een aantal duiven ingevoerd waaronder ook de picazuroduif. Ik ging een kijkje nemen met de handelaar en zag daar een twintigtal picazuroduiven zitten. Er was nog een ander duivenkweker aanwezig die ook een kijkje kwam nemen voor bloedverversing. Al vlug merkten we op dat deze duiven wat groter uitvielen dan die we reeds in ons bezit hadden. Ook de rugtekening viel anders uit en we merkten ook op dat de vleugelbogen bijna geen wit vertoonden. Gelukkig had ik een paar boeken in de wagen liggen en hebben we deze duiven vergeleken met de tekeningen en foto’s hieruit. We zijn dan tot de conclusie gekomen dat het hier ging over de grote picazuroduif, de Columba picazuro picazuro. We hebben dan ook dadelijk de handelaar hiervan op de hoogte gebracht, zodat hij verdere klanten de juiste informatie kon geven om deze ondersoorten toch uit elkaar te houden.

Ik heb op zicht dan vier duiven uitgekozen met de bedoeling om twee koppels samen te stellen.

Thuisgekomen heb ik ze dan dadelijk een kleurring omgedaan en enkele veertjes van de borst getrokken en opgestuurd om een DNA-test te laten doen. Enkele dagen later had ik reeds de resultaten en mijn keuze bleek perfect want het waren twee doffers en twee duivinnen.

Ik heb dan twee koppels samengesteld en apart in een volière geplaatst. De volières zijn 1,2 m breed en 8 m lang waarvan 1/3 volledig binnenhok. De buitenvolières waren goed beplant.

De voeding bestaat uit een goede graanmengeling aangevuld met een P40-eiwitkorrel.

Het eerste jaar waren de duiven erg schuw en was er zeker geen sprake van baltsen of toenadering tot elkaar. Het tweede jaar identiek: geen activiteiten.

Tijdens de winter van het derde jaar vond ik ’s morgens een duivin dood op de grond. Ze vertoonde geen uitwendige kwetsuren of ik had ook geen opvallende ziekteverschijnselen opgemerkt. Mijn moed begon al wat te zakken maar toch wist ik van vroeger dat de volhouder steeds gelijk krijgt.

In het volgende voorjaar hoorde ik de doffer van het overblijvende koppel zijn baltsroep uiten. Ik zag ook toenadering zowel van de doffer als van de duivin. De doffer begon ook regelmatig te pronken. Een weekje later zag ik de doffer met twijgen in zijn bek naar een uitgekozen nestkistje vliegen. Er werd een tamelijk groot nest gebouwd en al vlug lag er een ei in dit nest.

De duiven broedden zeer goed maar ik durfde toch geen nestcontrole te doen.

Op een morgen zag ik een lege eischaal in de volière liggen. Ik was er dus zeker van dat er een jong geboren was. Het jong groeide goed op en na 8 dagen heb ik het dan geringd met een 8 mm ring. De normale ringgrootte bedraagt 7 mm maar daar de duiven nogal dikke poten hadden, wilde ik toch op zekerheid spelen. Na drie weken verliet het jong het nest en de doffer begon reeds terug te pronken. Daar het jong reeds zelfstandig was, dacht ik het uit de volière te halen. Ik was echter reeds te laat want de duivin zat terug op het nest op een ei te broeden. Ik heb alles goed in het oog gehouden en de doffer scheen geen agressief gedrag tegenover het jong te tonen. Het jong ging soms wel terug mee op het nest zitten en dan was ik toch wel wat bang dat het ei zou stuk gaan. Maar alles verliep normaal en ook dat jong werd goed grootgebracht. Dat jaar heeft dit koppel vier jongen grootgebracht.

Ik heb dan de jongen uit de volière gehaald en eens heel goed bekeken. Het eerste jong leek me een duivin: wat kleiner van type, wat smaller en ook wat kleinere kop. Ik heb het laten seksen en ik had het bij het juiste eind. Dit duivinnetje zou dan de wederhelft moeten worden voor de overgebleven doffer. Ik heb deze duivin gedurende de winter alleen geplaatst. Het jaar daarop was het eerste koppel reeds in februari aan het broeden. Het nieuwe gevormde koppel werd in een volière geplaatst van 3m bij 8 m met als medebewoners een koppel bronsvleugelduiven, een koppel kaneelduiven (Lemmonduif) en een koppel witte oorfazanten.

De bronsvleugels en de kaneelduiven waren reeds gevormde koppels en gingen dan ook al snel tot broeden over. Bij de picazuroduiven zag ik geen activiteiten, maar ook geen agressief gedrag van de doffer tegen zijn jong duivinnetje. Het duurde tot in september om de doffer voor het eerst te zien pronken. Al vlug zag ik ook toenadering van de duivin en begonnen ze met takken te sleuren. Ook zij maakten een tamelijk groot nest. Wat later zag ik de duivin op het nest zitten op een ei. Dit koppel bleek toch wat schuwer dan het eerste want telkens ik langs de volière ging of als ik moest water of eten geven, vlogen de duiven van het nest. Na een tiental dagen heb ik dan toch even naar het ei gekeken en dit scheen tamelijk donker te zijn wat erop moest wijzen dat het bevrucht was. Ook hier kwam na zeventien dagen het jong uit. De ouders voederden zeer goed en het jong groeide prima. Door de schuwheid van de ouders vloog het jong reeds na 16 dagen uit het nest en is op de grond terechtgekomen. Hier bleek het echter een gretige prooi te zijn voor de witte oorfazanten en ik vond het jong dan ook fel toegetakeld in een hoekje terug. Ik heb het verzorgd en terug in het nest geplaatst maar ’s anderendaags lag het dood. Een week later begonnen de ouders al aan een volgend nest. Alles verliep weer goed en nu bleef het jong dan ook langer in het nest. Na drie weken zat het op stok en keerde nog een paar keer terug naar het nest. Deze keer verliep alles goed. Dit jong zal ik dan volgend jaar terug koppelen aan een jong van het eerste koppel zodat ik dan voor volgend jaar met drie toch onverwante koppels kan starten.

De picazuroduif is een mooie duif met een melodieuze baltsroep. Ze is totaal winterhard, mits ze zich tijdens de gure dagen kan terugtrekken in het binnenhok. Ze is wel wat schuw doch stelt geen grote eisen wat de voeding betreft. Liefst houdt men ze wel in een wat ruimere, goed beplante volière.

Hopelijk zien de liefhebbers het nut ervan in om de twee ondersoorten goed uit elkaar te houden en deze niet onderling te gaan mengen.

A. Cleynen