E.: Salvin’s pigeonSalvinsduif doffer

F. : Pigeon de Salvin

D. : Salvintaube

Systematiek en verspreiding

De salvinduif vinden we terug in het geslacht ‘Columba’. Ze is nauwverwant aan de roodsnavelduif (Columba flavirostris) en de roze schouderduif (Columba inornato).

Een andere soort die veel gelijkenis vertoont met de salvinduif is de plumbeousduif (Columba plumbea).

De salvinduif vinden we terug in een heel klein gebied in Peru. Ze verkiezen de subtropische wouden met als vegetatie vooral wilgenbomen (Salix humbertiana) en peperboompjes (Schinus molle).

Het is een duif die in alle boeken als zeer zeldzaam vermeld wordt, doch berichtte Bockelmann in een rondschrijven van de ‘AZ-AEZ-IG Wildtauben’ dat deze duif in het noordelijk deel van Peru toch voldoende voorkomt. Ze komen regelmatig naar de bewoonde wereld om mee te eten van het uitgestrooide graan voor de kippen.

Wat hun eigen habitat betreft, is er eigenlijk niets gekend en over de gedragingen in het wild zijn er geen waarnemingen beschreven.

Meestal worden ze aan de rand van de wouden waargenomen in groepjes van drie tot vier duiven.

In de ‘Handbook of the birds of the world’ volume 4 wordt het volgende vermeld: Zeer zeldzaam. Pas recent ontdekt in Ecuador. Een kleine groep is waargenomen in een klein gedeelte van de ‘Maranon Valley’ rond Balras en in de vallei van het oostelijk deel van Huamachuco. De achteruitgang van deze duif is zeker te wijten aan het kappen van de wouden en het nog steeds bejagen van deze vogels.

We mogen er dus vanuit gaan dat er zeer weinig gekend is over de levenswijze en broedbiologie in de vrije natuur.

Beschrijving

Het is een duif die een grootte heeft van een stadsduif maar veel slanker. De grootte varieert tussen 31 cm en 34 cm. De vleugels meten 20 cm, de staart 18,5 cm en de snavel 1,7 cm. Het gewicht bedraagt 250 g – 280 g.

De kop, de schouders, de bovenste vleugeldekken en ook de borst zijn roodbruin van kleur. De buik en de rug zijn grijzer. De vleugels zijn blauwgrijs. De staart is blauwgrijs bij de inplanting maar wordt donkerder naar het uiteinde toe.

De poten zijn rood. De ogen hebben een zwarte pupil met een oranje tot rode oogiris. De oogrand is rood.

De snavel is geelachtig en eindigt op een zwarte tip.

Geslachtsonderscheid

Onderscheid tussen doffer en duivin is zeer gering.

Bij overjarige dieren is de doffer meestal wat groter van type en ook intensiever gekleurd, vooral in het mantelgedeelte. Ook de washuid van de snavel is roder gekleurd. De duivin is vooral op de onderzijde wat grauwer gekleurd en niet zo rozig. Ook de rug is doffer van kleur.

Balts

Bij de balts richt de doffer zich omhoog en maakt knikkende bewegingen naar voor. Hierbij buigt hij de borst naar voren en richt zich dan weer op. Dit doet hij meerdere keren na elkaar. Hierbij blaast hij ook de krop wat op en laat ook een ‘ho-hoo-geluid’ horen met de klemtoon op de tweede klank.

Kweek in beschermd milieu

Salvin beschreef deze duif voor het eerst in 1895 tijdens waarnemingen in Peru.

In de beginjaren ’80 is deze duif enkele malen ingevoerd in België en Nederland. Aan het leven in de volière pasten deze duiven zich voortreffelijk aan en al vlug werden de eerste broedresultaten bekomen.

Ze houden van een tamelijk grote en goed beplante volière. Ze leggen slechts 1 ei en de broedduur bedraagt 16 dagen. Het jong verlaat het nest na ongeveer 3 à 4 weken.

Het zijn geharde duiven en ze kunnen onze winters zonder verwarming gemakkelijk trotseren mits ze kunnen beschikken over een overdekte en windvrije schuilplaats.

De voeding is zoals bij de ander columba-soorten: een degelijke graanmengeling van allerlei soorten granen, aangevuld met een eiwitkorrel (P-40 korrel). Dus zeker niet veeleisend.

De voetringmaat bedraagt 7 mm.

Het zijn zeer sociale duiven, niet agressief en dus gemakkelijk in een gemeenschappelijke volière te houden. Ze is zelfs geschikt om in kolonie te houden.

Op de tellijsten van de werkgroep van wilde duiven werden in 1995 dertig jongen aangegeven en in 1998 zelfs 41 jonge duiven.

Op dit ogenblik echter is deze duif zeer fel achteruitgegaan en er zijn nog weinig liefhebbers die deze duif nog in de volière hebben.

De reden hiertoe moeten we zeker zoeken in het ontbreken van mooie kleuren.

Hopelijk zullen in de volgende jaren enkele kwekers zich omtrent deze duif ontfermen en het aantal terug wat opdrijven.

Het zou zeer spijtig zijn dat de Salvinduif zou verdwijnen in onze volières.

Tekst en foto’s : A. Cleynen